Matches 401 to 600 of 2,852
| # | Notes | Linked to |
|---|---|---|
| 401 | www.wikitree.com ID S0641: WikiTree. MyHeritage. | Source (S278)
|
| 402 | www.wikitree.com ID S0641: WikiTree. MyHeritage. | Source (S278)
|
| 403 | www.wikitree.com ID S0641: WikiTree. MyHeritage. | Source (S278)
|
| 404 | Hij is vertrokken op dinsdag 25 september 1877 te Boom. Hij is aangekomen op woensdag 10 oktober 1877 te Niel. | Van Migro, Carolus (I501339)
|
| 405 | Hij is vertrokken op dinsdag 25 september 1877 te Boom. Hij is aangekomen op woensdag 10 oktober 1877 te Niel. | van Migro, Carolus (I8230)
|
| 406 | Hij is vertrokken op dinsdag 25 september 1877 te Boom. Hij is aangekomen op woensdag 10 oktober 1877 te Niel. | van Migro, Carolus (I8230)
|
| 407 | Hij kan niet schrijven. Petrus Jacobus Vertommen was schoenmaker op 16 juni 1889 in Boom. Hij woonde in Blauwstraat 45, Boom, op 16 juni 1889. | Vertommen, Petrus Jacobus (I501345)
|
| 408 | Hij kan niet schrijven. Petrus Jacobus Vertommen was schoenmaker op 16 juni 1889 in Boom. Hij woonde in Blauwstraat 45, Boom, op 16 juni 1889. | Vertommen, Petrus Jacobus (I9658)
|
| 409 | Hij kan niet schrijven. Petrus Jacobus Vertommen was schoenmaker op 16 juni 1889 in Boom. Hij woonde in Blauwstraat 45, Boom, op 16 juni 1889. | Vertommen, Petrus Jacobus (I9658)
|
| 410 | commandeur van St.jans Orde te Utrecht | Terstege, Mr. Zeeger (I501636)
|
| 411 | commandeur van St.jans Orde te Utrecht | Terstege, Mr. Zeeger (I8485)
|
| 412 | commandeur van St.jans Orde te Utrecht | Terstege, Mr. Zeeger (I8485)
|
| 413 | commies-generaal van Convoyen en licenten te Utrecht | Aemelius, Jan Alphert (I501617)
|
| 414 | commies-generaal van Convoyen en licenten te Utrecht | Aemelius, Jan Alphert (I8471)
|
| 415 | commies-generaal van Convoyen en licenten te Utrecht | Aemelius, Jan Alphert (I8471)
|
| 416 | Getuigen: Antonius Vermuyen, Catherina Somers | Somers, Antonius (I501382)
|
| 417 | Getuigen: Antonius Vermuyen, Catherina Somers | Somers, Antonius (I8256)
|
| 418 | Getuigen: Antonius Vermuyen, Catherina Somers | Somers, Antonius (I8256)
|
| 419 | Getuigen: Egidius De Jonghe, Maria Deure.. | Somers, Maria Anna (I501385)
|
| 420 | Getuigen: Egidius De Jonghe, Maria Deure.. | Somers, Maria Anna (I8259)
|
| 421 | Getuigen: Egidius De Jonghe, Maria Deure.. | Somers, Maria Anna (I8259)
|
| 422 | Getuigen: egidius De Raet, Joanna Vertommen | Somers, Adrianus (I501383)
|
| 423 | Getuigen: egidius De Raet, Joanna Vertommen | Somers, Adrianus (I8257)
|
| 424 | Getuigen: egidius De Raet, Joanna Vertommen | Somers, Adrianus (I8257)
|
| 425 | getuigen: Gerardus Hellemans, Elisabeth Braeckmans | Somers, Elisabeth (I501387)
|
| 426 | getuigen: Gerardus Hellemans, Elisabeth Braeckmans | Somers, Elisabeth (I8261)
|
| 427 | getuigen: Gerardus Hellemans, Elisabeth Braeckmans | Somers, Elisabeth (I8261)
|
| 428 | Getuigen: Guilielmus Van Reeth, Catherina Van Reeth | Somers, Guilielmus (I501388)
|
| 429 | Getuigen: Guilielmus Van Reeth, Catherina Van Reeth | Somers, Guilielmus (I8262)
|
| 430 | Getuigen: Guilielmus Van Reeth, Catherina Van Reeth | Somers, Guilielmus (I8262)
|
| 431 | Getuigen: Henricus Vertommen, Catherina Van Reeth | Somers, Catherina (I501384)
|
| 432 | Getuigen: Henricus Vertommen, Catherina Van Reeth | Somers, Catherina (I8258)
|
| 433 | Getuigen: Henricus Vertommen, Catherina Van Reeth | Somers, Catherina (I8258)
|
| 434 | Getuigen: Rumoldus Van Den Branden, Barbara Pauwels | Somers, Barbara (I501386)
|
| 435 | Getuigen: Rumoldus Van Den Branden, Barbara Pauwels | Somers, Barbara (I8260)
|
| 436 | Getuigen: Rumoldus Van Den Branden, Barbara Pauwels | Somers, Barbara (I8260)
|
| 437 | schepen raad postmeester | Mr. de Gijselaar, Nicolaas (I501619)
|
| 438 | ait négociant en bestiaux et juif.... -- MERGED NOTE ------------
| Stenger (I7905)
|
| 439 | ait négociant en bestiaux et juif.... -- MERGED NOTE ------------
| Stenger (I7905)
|
| 440 | ait négociant en bestiaux et juif.... | Stenger (I500888)
|
| 441 | 't Hamerken Op de plaats waar Brouwerij De Gouden Boom gevestigd was, tussen de Langestraat en het Verbrand Nieuwland, brouwde al in 1455 een zekere Jan Hugheins bier. In 1580 kwam de naam 't Hamerken de eerste keer voor als landelijk huis dat bekend stond als herberg, waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. In 1770 werd 't Hamerken omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: François de Knock (1770), Louis de Busscher-Minne (1816) en voor 1850 was er nog Joannes-Baptiste Schaeverbeke, wiens zonen hem later opvolgden. Voor de familie Vanneste begon het allemaal in 1872, toen Jules Vanneste (1835-1909), een boer uit Oostkamp, zijn intrek nam in deze bestaande stokerij en mouterij 't Hamerken. Jules begon er vanaf 1889 bier te brouwen om nog geen vijf jaar later de tweede belangrijkste te zijn van de 31 Brugse brouwerijen (telling 1904). De stokerij werd gestopt maar een gloednieuwe mouterij draaide vanaf 1902 op volle toeren. De mouterij bleef werken tot 1976. De zoon Cyriel Vanneste (1861-1925) kon de taak van zijn vader verderzetten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in 1916 de koperen ketels door de Duitsers opgeëist, maar vanaf 1918 werd opnieuw gebrouwen in ijzeren ketels. Buiten het klassieke hoge-gistingstonnenbier werd nu ook reeds bier op flessen getrokken. Men kende er zelfs een Brugse Gueuze. Rond de jaren 1930 deed de familie Vanneste de zware investeringen voor de lage-gistingsbieren van het pilsner-type. Opvolger Jacques Vanneste richtte in 1940 de p.v.b.a. 't Hamerken op. Buiten de bieren van het pilsner- en dortmunder-type werd ook nog een Brugse Tripel gebrouwen, een donkerkleurig licht bier met een densiteit van 5 graden. In 1976 werd de mouterij stilgelegd toen bleek dat het niet meer rendabel was om op die manier mout te blijven produceren. Vanaf 1980 werd in brouwerij 't Hamerken nog het patersbier van Steenbrugge gebrouwen. Dit bier werd oorspronkelijk door de broeders van de benedictijner Sint-Pietersabdij te Steenbrugge zelf als tafelbier voor eigen gebruik gebrouwen tussen 1914 en 1943. De opeising van de koperen ketels door de Duitsers bracht hieraan een einde. De productie werd in 1958 echter hervat door Brouwerij Du Lac en werd in de loop van de jaren in verschillende brouwerijen, ook buiten Brugge, voortgezet. Pas in 1980 bracht een overeenkomst tussen Brouwerij 't Hamerken en de paters benedictijnen het bier terug naar Brugge. Maar in 1982 werd het handelsfonds van 't Hamerken door Brouwerij Haacht overgenomen en de laatste grote brouwerij van de stad dreigde te verdwijnen. Toon Denooze van Brouwerij De Hopduvel uit Gent bleef in 1982 de brouwketels echter warm houden door er het bier Stropken te brouwen.   Zie: http://www.thamerken.be/brouwerijgeschiedenis/HAMERKEN.htm | VANNESTE, Jules Judocus (I501049)
|
| 442 | 't Hamerken Op de plaats waar Brouwerij De Gouden Boom gevestigd was, tussen de Langestraat en het Verbrand Nieuwland, brouwde al in 1455 een zekere Jan Hugheins bier. In 1580 kwam de naam 't Hamerken de eerste keer voor als landelijk huis dat bekend stond als herberg, waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. In 1770 werd 't Hamerken omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: François de Knock (1770), Louis de Busscher-Minne (1816) en voor 1850 was er nog Joannes-Baptiste Schaeverbeke, wiens zonen hem later opvolgden. Voor de familie Vanneste begon het allemaal in 1872, toen Jules Vanneste (1835-1909), een boer uit Oostkamp, zijn intrek nam in deze bestaande stokerij en mouterij 't Hamerken. Jules begon er vanaf 1889 bier te brouwen om nog geen vijf jaar later de tweede belangrijkste te zijn van de 31 Brugse brouwerijen (telling 1904). De stokerij werd gestopt maar een gloednieuwe mouterij draaide vanaf 1902 op volle toeren. De mouterij bleef werken tot 1976. De zoon Cyriel Vanneste (1861-1925) kon de taak van zijn vader verderzetten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in 1916 de koperen ketels door de Duitsers opgeëist, maar vanaf 1918 werd opnieuw gebrouwen in ijzeren ketels. Buiten het klassieke hoge-gistingstonnenbier werd nu ook reeds bier op flessen getrokken. Men kende er zelfs een Brugse Gueuze. Rond de jaren 1930 deed de familie Vanneste de zware investeringen voor de lage-gistingsbieren van het pilsner-type. Opvolger Jacques Vanneste richtte in 1940 de p.v.b.a. 't Hamerken op. Buiten de bieren van het pilsner- en dortmunder-type werd ook nog een Brugse Tripel gebrouwen, een donkerkleurig licht bier met een densiteit van 5 graden. In 1976 werd de mouterij stilgelegd toen bleek dat het niet meer rendabel was om op die manier mout te blijven produceren. Vanaf 1980 werd in brouwerij 't Hamerken nog het patersbier van Steenbrugge gebrouwen. Dit bier werd oorspronkelijk door de broeders van de benedictijner Sint-Pietersabdij te Steenbrugge zelf als tafelbier voor eigen gebruik gebrouwen tussen 1914 en 1943. De opeising van de koperen ketels door de Duitsers bracht hieraan een einde. De productie werd in 1958 echter hervat door Brouwerij Du Lac en werd in de loop van de jaren in verschillende brouwerijen, ook buiten Brugge, voortgezet. Pas in 1980 bracht een overeenkomst tussen Brouwerij 't Hamerken en de paters benedictijnen het bier terug naar Brugge. Maar in 1982 werd het handelsfonds van 't Hamerken door Brouwerij Haacht overgenomen en de laatste grote brouwerij van de stad dreigde te verdwijnen. Toon Denooze van Brouwerij De Hopduvel uit Gent bleef in 1982 de brouwketels echter warm houden door er het bier Stropken te brouwen.   Zie: http://www.thamerken.be/brouwerijgeschiedenis/HAMERKEN.htmDe Gouden Boom In 1983 stichtte Paul Vanneste (achterkleinzoon van de stichter) er in samenwerking met Brouwerij Frank Boon uit Lembeek de nieuwe brouwerij De Gouden Boom. Men brouwde er enkel hoge-gistingsbieren. De rij werd geopend door het Brugs Tarwebier. Brugs Tarwebier was van het begin af een succes, want het vulde in de jaren 1980 een gat in de markt van de witbieren, die toen alleen nog door Brouwerij De Kluis in Hoegaarden werden gebrouwen. De traditie van het patersbier van Steenbrugge werd ook hervat. De dubbele bruine kreeg zelfs het gezelschap van een blonde tripel. Sint Arnoldus, patroon der brouwers en stichter van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en Steenbrugge, siert de etiketten van dit Brugse abdijbier. In 1987 werd de Brugse Tripel de volgende aanwinst van De Gouden Boom. Deze Brugse Tripel was heel wat voller en steviger dan zijn voorganger bij 't Hamerken. Het werd tevens een blond bier. Vanaf 1993 gingen de brouwerijen Rodenbach en De Gouden Boom nauwer samenwerken.   In 2003 werd Brouwerij De Gouden Boom volledig overgenomen door Brouwerij Palm, die zich sindsdien Palm Breweries noemt. In 2004 werd de bierproductie in Brugge overgeheveld naar de Palm-brouwerij in Steenhuffel. Het Brouwerijmuseum, dat zich sinds 1990 in de mouterijgebouwen bevond, diende in 2005 te verhuizen naar Brouwerij De Halve Maan aan het Walplein. Brouwerij Palm verkocht in 2006 de gebouwen van Brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat in Brugge aan een projectontwikkelingsbedrijf. Een deel van de voormalige brouwerij- en mouterij-installaties werd in 2006 echter als industrieel erfgoed beschermd. De rest van de gebouwen maakte plaats voor een nieuwbouwproject met appartementen, winkels en een museumcafé. Het beschermde mouterijgebouw en de gerestaureerde woning met trapgevel uit de 17de eeuw aan de Langestraat zijn geïntegreerd in het nieuwbouwproject. Vanuit het museumcafé zijn de beschermde installaties te bezichtigenEigenaars 't HAMERKEN 1580 : de naam 't Hamerken komt de eerste keer voor als landelijk huis (St.-Jans Sestendeel fol 1027) Het huis staat bekend als herberg waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. 1770 : 't Hamerken wordt omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: 1770 : François de Knock 1816 : Louis de Busscher-Minne voor 1850 : Joannes-Baptiste Schaeverbeke x Theresia Van Wassenhove. zijn oudste zoon volgde hem op, voor de andere zoon Charles Schaeverbeke (°20.08.1852 +16.01.1919) kocht vader de brouwerij DEN ANKER in de Wijngaardstraat. Nog een andere zoon, Leon Schaverbeke richt in 1894 de brouwerij LA MARINE op in de Wollestraat. 1850 : Joannes-Baptist Schaeverbeke-Delanote 1855 : Joannes Baptist Schaeverbeke-Coppens 1872 : JULES VANNESTE (°22.10.1835 +12.02.1909) 1906 : Cyriel Vanneste (°03.05.1861 +09.03.1925) & broers Camille & Victor 1926 : Cyriel Vanneste & kinderen 1940 : Jacques Vanneste (°24.07.1908 +27.04.1985) p.v.b.a. 'T HAMERKEN 1982 : zakelijke overeenkomst met Brouwerij Haacht die het handelfonds overneemt. Depot Haacht. de gebouwen blijven eigendom van de fam. VannesteDe Gouden Boom verder zonder Paul Vanneste Palm zet stichter van brouwerij aan de deur woensdag 28 augustus 2002 Auteur: Nieuwsblad.be   BRUGGE - Paul Vanneste (57) is vanaf eind deze week niet langer het Brugse boegbeeld van brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat. Vrijdag begint hij er aan zijn laatste werkdag. Brouwerij Palm, die op 16 november 2001 een meerderheidsbelang van 93 procent in De Gouden Boom verwierf, besloot de zaak zonder Paul Vanneste te runnen. Deze laatste mag er wel nog blijven wonen.   Ook de vzw Brugs Brouwerij- en Mouterijmuseum, waarvan Paul voorzitter is, blijft in de brouwerij gevestigd. ,,We willen de continuïteit waarborgen en willen het museum daarom uitbouwen en ook investeren in een meer hedendaagse infrastructuur'', laat public relationsmanager Peter Buelens weten.   Buelens vindt het ook vanzelfsprekend dat de productie van edele bieren zoals Brugse Tripel op de huidige site blijft. ,,We hebben De Gouden Boom overgenomen omdat deze brouwerij model staat voor stadsbieren. Stadsbieren zijn enkel die naam waardig als ze in de stad worden gebrouwen. Dus wordt er voort in Brugge gebrouwen. De productie zal daarbij worden gestuurd vanuit Roeselare. Onze commerciële knowhow moet een stimulans zijn om de bieren van De Gouden Boom nog breder af te zetten.''   ,,Dit betekent het einde van de familie Vanneste op deze site. Mijn overgrootvader Jules is er in het najaar van 1872 gekomen. Zelf kwam ik op 1 oktober 1970 in de brouwerij, die toen nog 't Hamerken heette. Op 6 oktober 1983 heb ik er De Gouden Boom gesticht. Na 130 jaar verlaat ik nu als laatste Vanneste de brouwerij'', mijmert Paul.   ,,Wat ik nu zal doen? Het is nog wat te vroeg om met pensioen te gaan. Ik zoek iets anders. Mogelijk blijf ik nog in de brouwerijsector actief'', luidt het nog. In deze historiek concentreren we ons op zoon Jules Vanneste, de eigenlijke stichter van de brouwerij in de Langestraat. Jules en z’n vrouw verhuisden in 1872 naar Brugge en namen hun zes kinderen mee. In Brugge kregen ze trouwens nog eens twee kinderen! In datzelfde jaar reeds kochten ze het pand in de Langestraat 45 waar toen nog een jeneverstokerij gevestigd was. Ze betaalden er welgeteld vijfenzestigduizend frank voor. Alle installaties van de stokerij waren in deze overeenkomst opgenomen. De verkoper verbond er zich ook nog toe om de herbergen in zijn eigendom te verplichten jenever af te nemen aan Jules Vanneste. Een tweetal maanden later al kwam er een hypotheek op het huis als borg voor de accijnzen voor het verkopen van jenever. Door enkele interessante erfdelen en de verkoop van landerijen in Oostkamp en Beernem konden ze investeren in de uitbreiding van de stokerij. Er werden vele jaren goede zaken gedaan met de jeneverstokerij. In 1889 werd, mede onder invloed van de drie volwassen zonen, aan uitbreiding naar bier brouwen gedacht. Het verbruik van sterke drank als jenever nam immers snel af door allerlei campagnes en maatregelen van de overheid. Men wilde het zware alcoholisme een halt toeroepen. Bier brouwen en jenever stoken heeft ook wel enige verwantschap. Beide hebben mout als grondstof en er was een stoomketel voor nodig. De beslissing was genomen: ze gingen ook bier brouwen. Op het moment van die uitbreiding waren er in Brugge al vijfentwintig bierbrouwers actief, waarvan brouwijerij Den Arend (het latere Aigle) de grootste was.   Tonnenbier en drukvaten Buiten het toen gebruikelijke bier in houten tonnen werden ook reeds, zij het in beperkte mate, ‘drukvaten’ gebruikt. Doordat het bier in tonnen blootgesteld werd aan lucht zat er weinig druk op en was het dus nogal ‘plat’. Toch is het jarenlang heel populair gebleven. De gebruiker lieten de tonnen in z’n kelder leveren en ging en ging het dan per kan uit de kelder halen voor consumptie. ‘Gebroeders - brouwers’ deden de omzet stijgen Doordat niet alleen de vader maar ook de drie zonen vol inzet in de brouwerij actief waren steeg de omzet zienderogen. In 1898 werd dan ook een nieuw mouterijgebouw opgericht. De ‘gebroeders-brouwers’ werkten in de voormiddag in de brouwerij en gingen ‘s namiddags de baan op voor het commerciële werk. ‘ S avonds, na heel wat besprekingen en ook proeven met de cafébazen, kwamen ze thuis met een pak bestellingen. Tot 1908 was er een jaarlijkse omzetstijging van tien à twintig procent. In 1904 stootte de brouwerij door tot de tweede grootste van Brugge. In die jaren werd ook beslist om de jeneverstokerij stop te zetten. Ze kregen daar toen zelf een subsidie van de Staat voor. Als er nog jenever nodig was om de klanten te bedienen werd deze aangekocht bij de ‘Nederlandse Gist en Spiritusfabriek’ (de ‘gisfabrieke’ in het Brugs).   Tweede generatie neemt het roer over. In 1905 trok oprichter Jules Vanneste zich op zeventigjarige leeftijd volledig uit de brouwerij terug. De drie zonen stichtten de vennootschap ‘Cyrille Vanneste en broeders, maatschappij onder gezamenlijk naam. Ze maakten een akkoord over de werkverdeling. De rekeningstaten werden elke week door alle drie afgetekend zodat er geen onenigheid kon ontstaan. Elk moest om beurt ’het werkvolk bewaken en bestieren’. Toen vader Jules stierf in 1909 erfden alle kinderen en de vrouw van Jules verschillende herbergen. De broers maakten als zaakvoerders duidelijke prijsafspraken met hun zusters en moeder. Moeder kreeg twee frank per verkochte bierton in haar herbergen en de zussen kregen één frank voor de verkoop in hun herbergen…De zaken gingen goed onder het bestuur van de drie broers en dus was er ook nood aan bijkomend personeel. Men werkte er al vlug met veertien man, met name één brouwer, één stoker, één kuiper en elf brouwersgasten. Het dagloon bedroeg drie frank. De werknemers kregen toen al een verzekering tegen ziekte en arbeidsongevallen en in 1911 werd er in een refter voor het personeel voorzien. Een interessant document is het ’Reglement der werklieden van de brouwerij’. Daaruit leren we dat een werkdag toen reeds begon om zes uur ’s morgens en eindigde om acht uur ’s avonds. In de diverse artikelen lezen we ondermeer dat de werklieden ’gehouden zijn malkander vriendelijk aan te spreken’ en dat op bepaalde overtredingen boetes worden toegepast van ten hoogste vijftig centiemen daags, zoals het stelen van bier of jenever, het ’kijven ofte vechten op straat of op de werkplaats‘, ‘in het graan of mout te spuwen of zich te snuiten zonder zakdoek‘…   De biersoorten In het begin van de twintigste eeuw werd vooral bier van hoge gisting in tonnen verkocht. Het werd direct aan huis geleverd en meestal in de kelder bewaard. Kort voor W.O. I waren toch al enkele cafés uitgerust met een koolzuurgasinstallatie om het bier onder druk naar de tapkraan te leiden. Een tussenvariant waren de drukvaten waarbij de uitbater via een handpomp achter de toog lucht op het vat pompte waardoor de druk op het vat steeg en het bier naar de kraan liep. Het bier dat toen in Brugge het meest gedronken werd, was het Vlaams bruin bier. Men noemde het ook wel ‘La bière du pays’. In een publiciteit werd het als volgt omschreven: “Goutez la délicieuze Brune des Flandres à fournir par la Brasserie Cyrille Vanneste & frères, Bruges Rue Longue 41”. Daarnaast werd er ook nog witbier en bierazijn verkocht.   De sterke groei voor de oorlog De broers waren verzekerd van een grote en regelmatige afname doordat ze zestig huurpanden bezaten met verplichte afname aan de brouwerij. Daarnaast waren er ook nog de leveringen aan de vrije cafés en de particulieren. Ook aan de kust waren ze actief, in Oostende en Knokke waar het toerisme sterk opkwam. Daarnaast ook in Loppem, Beerneem, Oostkamp. In de jaren ‘10 hadden ze een driehonderdtal vaste klanten. De brouwerij was dan ook op z’n tijd ver vooruit en was volledig gemechaniseerd. Bij enkele andere brouwerijen in de stad namen ze letterlijk nog de roerstok ter hand. -- MERGED NOTE ------------ 't Hamerken Op de plaats waar Brouwerij De Gouden Boom gevestigd was, tussen de Langestraat en het Verbrand Nieuwland, brouwde al in 1455 een zekere Jan Hugheins bier. In 1580 kwam de naam 't Hamerken de eerste keer voor als landelijk huis dat bekend stond als herberg, waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. In 1770 werd 't Hamerken omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: François de Knock (1770), Louis de Busscher-Minne (1816) en voor 1850 was er nog Joannes-Baptiste Schaeverbeke, wiens zonen hem later opvolgden. Voor de familie Vanneste begon het allemaal in 1872, toen Jules Vanneste (1835-1909), een boer uit Oostkamp, zijn intrek nam in deze bestaande stokerij en mouterij 't Hamerken. Jules begon er vanaf 1889 bier te brouwen om nog geen vijf jaar later de tweede belangrijkste te zijn van de 31 Brugse brouwerijen (telling 1904). De stokerij werd gestopt maar een gloednieuwe mouterij draaide vanaf 1902 op volle toeren. De mouterij bleef werken tot 1976. De zoon Cyriel Vanneste (1861-1925) kon de taak van zijn vader verderzetten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in 1916 de koperen ketels door de Duitsers opgeëist, maar vanaf 1918 werd opnieuw gebrouwen in ijzeren ketels. Buiten het klassieke hoge-gistingstonnenbier werd nu ook reeds bier op flessen getrokken. Men kende er zelfs een Brugse Gueuze. Rond de jaren 1930 deed de familie Vanneste de zware investeringen voor de lage-gistingsbieren van het pilsner-type. Opvolger Jacques Vanneste richtte in 1940 de p.v.b.a. 't Hamerken op. Buiten de bieren van het pilsner- en dortmunder-type werd ook nog een Brugse Tripel gebrouwen, een donkerkleurig licht bier met een densiteit van 5 graden. In 1976 werd de mouterij stilgelegd toen bleek dat het niet meer rendabel was om op die manier mout te blijven produceren. Vanaf 1980 werd in brouwerij 't Hamerken nog het patersbier van Steenbrugge gebrouwen. Dit bier werd oorspronkelijk door de broeders van de benedictijner Sint-Pietersabdij te Steenbrugge zelf als tafelbier voor eigen gebruik gebrouwen tussen 1914 en 1943. De opeising van de koperen ketels door de Duitsers bracht hieraan een einde. De productie werd in 1958 echter hervat door Brouwerij Du Lac en werd in de loop van de jaren in verschillende brouwerijen, ook buiten Brugge, voortgezet. Pas in 1980 bracht een overeenkomst tussen Brouwerij 't Hamerken en de paters benedictijnen het bier terug naar Brugge. Maar in 1982 werd het handelsfonds van 't Hamerken door Brouwerij Haacht overgenomen en de laatste grote brouwerij van de stad dreigde te verdwijnen. Toon Denooze van Brouwerij De Hopduvel uit Gent bleef in 1982 de brouwketels echter warm houden door er het bier Stropken te brouwen.   Zie: http://www.thamerken.be/brouwerijgeschiedenis/HAMERKEN.htmDe Gouden Boom In 1983 stichtte Paul Vanneste (achterkleinzoon van de stichter) er in samenwerking met Brouwerij Frank Boon uit Lembeek de nieuwe brouwerij De Gouden Boom. Men brouwde er enkel hoge-gistingsbieren. De rij werd geopend door het Brugs Tarwebier. Brugs Tarwebier was van het begin af een succes, want het vulde in de jaren 1980 een gat in de markt van de witbieren, die toen alleen nog door Brouwerij De Kluis in Hoegaarden werden gebrouwen. De traditie van het patersbier van Steenbrugge werd ook hervat. De dubbele bruine kreeg zelfs het gezelschap van een blonde tripel. Sint Arnoldus, patroon der brouwers en stichter van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en Steenbrugge, siert de etiketten van dit Brugse abdijbier. In 1987 werd de Brugse Tripel de volgende aanwinst van De Gouden Boom. Deze Brugse Tripel was heel wat voller en steviger dan zijn voorganger bij 't Hamerken. Het werd tevens een blond bier. Vanaf 1993 gingen de brouwerijen Rodenbach en De Gouden Boom nauwer samenwerken.   In 2003 werd Brouwerij De Gouden Boom volledig overgenomen door Brouwerij Palm, die zich sindsdien Palm Breweries noemt. In 2004 werd de bierproductie in Brugge overgeheveld naar de Palm-brouwerij in Steenhuffel. Het Brouwerijmuseum, dat zich sinds 1990 in de mouterijgebouwen bevond, diende in 2005 te verhuizen naar Brouwerij De Halve Maan aan het Walplein. Brouwerij Palm verkocht in 2006 de gebouwen van Brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat in Brugge aan een projectontwikkelingsbedrijf. Een deel van de voormalige brouwerij- en mouterij-installaties werd in 2006 echter als industrieel erfgoed beschermd. De rest van de gebouwen maakte plaats voor een nieuwbouwproject met appartementen, winkels en een museumcafé. Het beschermde mouterijgebouw en de gerestaureerde woning met trapgevel uit de 17de eeuw aan de Langestraat zijn geïntegreerd in het nieuwbouwproject. Vanuit het museumcafé zijn de beschermde installaties te bezichtigenEigenaars 't HAMERKEN 1580 : de naam 't Hamerken komt de eerste keer voor als landelijk huis (St.-Jans Sestendeel fol 1027) Het huis staat bekend als herberg waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. 1770 : 't Hamerken wordt omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: 1770 : François de Knock 1816 : Louis de Busscher-Minne voor 1850 : Joannes-Baptiste Schaeverbeke x Theresia Van Wassenhove. zijn oudste zoon volgde hem op, voor de andere zoon Charles Schaeverbeke (°20.08.1852 +16.01.1919) kocht vader de brouwerij DEN ANKER in de Wijngaardstraat. Nog een andere zoon, Leon Schaverbeke richt in 1894 de brouwerij LA MARINE op in de Wollestraat. 1850 : Joannes-Baptist Schaeverbeke-Delanote 1855 : Joannes Baptist Schaeverbeke-Coppens 1872 : JULES VANNESTE (°22.10.1835 +12.02.1909) 1906 : Cyriel Vanneste (°03.05.1861 +09.03.1925) & broers Camille & Victor 1926 : Cyriel Vanneste & kinderen 1940 : Jacques Vanneste (°24.07.1908 +27.04.1985) p.v.b.a. 'T HAMERKEN 1982 : zakelijke overeenkomst met Brouwerij Haacht die het handelfonds overneemt. Depot Haacht. de gebouwen blijven eigendom van de fam. VannesteDe Gouden Boom verder zonder Paul Vanneste Palm zet stichter van brouwerij aan de deur woensdag 28 augustus 2002 Auteur: Nieuwsblad.be   BRUGGE - Paul Vanneste (57) is vanaf eind deze week niet langer het Brugse boegbeeld van brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat. Vrijdag begint hij er aan zijn laatste werkdag. Brouwerij Palm, die op 16 november 2001 een meerderheidsbelang van 93 procent in De Gouden Boom verwierf, besloot de zaak zonder Paul Vanneste te runnen. Deze laatste mag er wel nog blijven wonen.   Ook de vzw Brugs Brouwerij- en Mouterijmuseum, waarvan Paul voorzitter is, blijft in de brouwerij gevestigd. ,,We willen de continuïteit waarborgen en willen het museum daarom uitbouwen en ook investeren in een meer hedendaagse infrastructuur'', laat public relationsmanager Peter Buelens weten.   Buelens vindt het ook vanzelfsprekend dat de productie van edele bieren zoals Brugse Tripel op de huidige site blijft. ,,We hebben De Gouden Boom overgenomen omdat deze brouwerij model staat voor stadsbieren. Stadsbieren zijn enkel die naam waardig als ze in de stad worden gebrouwen. Dus wordt er voort in Brugge gebrouwen. De productie zal daarbij worden gestuurd vanuit Roeselare. Onze commerciële knowhow moet een stimulans zijn om de bieren van De Gouden Boom nog breder af te zetten.''   ,,Dit betekent het einde van de familie Vanneste op deze site. Mijn overgrootvader Jules is er in het najaar van 1872 gekomen. Zelf kwam ik op 1 oktober 1970 in de brouwerij, die toen nog 't Hamerken heette. Op 6 oktober 1983 heb ik er De Gouden Boom gesticht. Na 130 jaar verlaat ik nu als laatste Vanneste de brouwerij'', mijmert Paul.   ,,Wat ik nu zal doen? Het is nog wat te vroeg om met pensioen te gaan. Ik zoek iets anders. Mogelijk blijf ik nog in de brouwerijsector actief'', luidt het nog. In deze historiek concentreren we ons op zoon Jules Vanneste, de eigenlijke stichter van de brouwerij in de Langestraat. Jules en z’n vrouw verhuisden in 1872 naar Brugge en namen hun zes kinderen mee. In Brugge kregen ze trouwens nog eens twee kinderen! In datzelfde jaar reeds kochten ze het pand in de Langestraat 45 waar toen nog een jeneverstokerij gevestigd was. Ze betaalden er welgeteld vijfenzestigduizend frank voor. Alle installaties van de stokerij waren in deze overeenkomst opgenomen. De verkoper verbond er zich ook nog toe om de herbergen in zijn eigendom te verplichten jenever af te nemen aan Jules Vanneste. Een tweetal maanden later al kwam er een hypotheek op het huis als borg voor de accijnzen voor het verkopen van jenever. Door enkele interessante erfdelen en de verkoop van landerijen in Oostkamp en Beernem konden ze investeren in de uitbreiding van de stokerij. Er werden vele jaren goede zaken gedaan met de jeneverstokerij. In 1889 werd, mede onder invloed van de drie volwassen zonen, aan uitbreiding naar bier brouwen gedacht. Het verbruik van sterke drank als jenever nam immers snel af door allerlei campagnes en maatregelen van de overheid. Men wilde het zware alcoholisme een halt toeroepen. Bier brouwen en jenever stoken heeft ook wel enige verwantschap. Beide hebben mout als grondstof en er was een stoomketel voor nodig. De beslissing was genomen: ze gingen ook bier brouwen. Op het moment van die uitbreiding waren er in Brugge al vijfentwintig bierbrouwers actief, waarvan brouwijerij Den Arend (het latere Aigle) de grootste was.   Tonnenbier en drukvaten Buiten het toen gebruikelijke bier in houten tonnen werden ook reeds, zij het in beperkte mate, ‘drukvaten’ gebruikt. Doordat het bier in tonnen blootgesteld werd aan lucht zat er weinig druk op en was het dus nogal ‘plat’. Toch is het jarenlang heel populair gebleven. De gebruiker lieten de tonnen in z’n kelder leveren en ging en ging het dan per kan uit de kelder halen voor consumptie. ‘Gebroeders - brouwers’ deden de omzet stijgen Doordat niet alleen de vader maar ook de drie zonen vol inzet in de brouwerij actief waren steeg de omzet zienderogen. In 1898 werd dan ook een nieuw mouterijgebouw opgericht. De ‘gebroeders-brouwers’ werkten in de voormiddag in de brouwerij en gingen ‘s namiddags de baan op voor het commerciële werk. ‘ S avonds, na heel wat besprekingen en ook proeven met de cafébazen, kwamen ze thuis met een pak bestellingen. Tot 1908 was er een jaarlijkse omzetstijging van tien à twintig procent. In 1904 stootte de brouwerij door tot de tweede grootste van Brugge. In die jaren werd ook beslist om de jeneverstokerij stop te zetten. Ze kregen daar toen zelf een subsidie van de Staat voor. Als er nog jenever nodig was om de klanten te bedienen werd deze aangekocht bij de ‘Nederlandse Gist en Spiritusfabriek’ (de ‘gisfabrieke’ in het Brugs).   Tweede generatie neemt het roer over. In 1905 trok oprichter Jules Vanneste zich op zeventigjarige leeftijd volledig uit de brouwerij terug. De drie zonen stichtten de vennootschap ‘Cyrille Vanneste en broeders, maatschappij onder gezamenlijk naam. Ze maakten een akkoord over de werkverdeling. De rekeningstaten werden elke week door alle drie afgetekend zodat er geen onenigheid kon ontstaan. Elk moest om beurt ’het werkvolk bewaken en bestieren’. Toen vader Jules stierf in 1909 erfden alle kinderen en de vrouw van Jules verschillende herbergen. De broers maakten als zaakvoerders duidelijke prijsafspraken met hun zusters en moeder. Moeder kreeg twee frank per verkochte bierton in haar herbergen en de zussen kregen één frank voor de verkoop in hun herbergen…De zaken gingen goed onder het bestuur van de drie broers en dus was er ook nood aan bijkomend personeel. Men werkte er al vlug met veertien man, met name één brouwer, één stoker, één kuiper en elf brouwersgasten. Het dagloon bedroeg drie frank. De werknemers kregen toen al een verzekering tegen ziekte en arbeidsongevallen en in 1911 werd er in een refter voor het personeel voorzien. Een interessant document is het ’Reglement der werklieden van de brouwerij’. Daaruit leren we dat een werkdag toen reeds begon om zes uur ’s morgens en eindigde om acht uur ’s avonds. In de diverse artikelen lezen we ondermeer dat de werklieden ’gehouden zijn malkander vriendelijk aan te spreken’ en dat op bepaalde overtredingen boetes worden toegepast van ten hoogste vijftig centiemen daags, zoals het stelen van bier of jenever, het ’kijven ofte vechten op straat of op de werkplaats‘, ‘in het graan of mout te spuwen of zich te snuiten zonder zakdoek‘…   De biersoorten In het begin van de twintigste eeuw werd vooral bier van hoge gisting in tonnen verkocht. Het werd direct aan huis geleverd en meestal in de kelder bewaard. Kort voor W.O. I waren toch al enkele cafés uitgerust met een koolzuurgasinstallatie om het bier onder druk naar de tapkraan te leiden. Een tussenvariant waren de drukvaten waarbij de uitbater via een handpomp achter de toog lucht op het vat pompte waardoor de druk op het vat steeg en het bier naar de kraan liep. Het bier dat toen in Brugge het meest gedronken werd, was het Vlaams bruin bier. Men noemde het ook wel ‘La bière du pays’. In een publiciteit werd het als volgt omschreven: “Goutez la délicieuze Brune des Flandres à fournir par la Brasserie Cyrille Vanneste & frères, Bruges Rue Longue 41”. Daarnaast werd er ook nog witbier en bierazijn verkocht.   De sterke groei voor de oorlog De broers waren verzekerd van een grote en regelmatige afname doordat ze zestig huurpanden bezaten met verplichte afname aan de brouwerij. Daarnaast waren er ook nog de leveringen aan de vrije cafés en de particulieren. Ook aan de kust waren ze actief, in Oostende en Knokke waar het toerisme sterk opkwam. Daarnaast ook in Loppem, Beerneem, Oostkamp. In de jaren ‘10 hadden ze een driehonderdtal vaste klanten. De brouwerij was dan ook op z’n tijd ver vooruit en was volledig gemechaniseerd. Bij enkele andere brouwerijen in de stad namen ze letterlijk nog de roerstok ter hand. | Vanneste, Jules Judocus (I8022)
|
| 443 | 't Hamerken Op de plaats waar Brouwerij De Gouden Boom gevestigd was, tussen de Langestraat en het Verbrand Nieuwland, brouwde al in 1455 een zekere Jan Hugheins bier. In 1580 kwam de naam 't Hamerken de eerste keer voor als landelijk huis dat bekend stond als herberg, waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. In 1770 werd 't Hamerken omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: François de Knock (1770), Louis de Busscher-Minne (1816) en voor 1850 was er nog Joannes-Baptiste Schaeverbeke, wiens zonen hem later opvolgden. Voor de familie Vanneste begon het allemaal in 1872, toen Jules Vanneste (1835-1909), een boer uit Oostkamp, zijn intrek nam in deze bestaande stokerij en mouterij 't Hamerken. Jules begon er vanaf 1889 bier te brouwen om nog geen vijf jaar later de tweede belangrijkste te zijn van de 31 Brugse brouwerijen (telling 1904). De stokerij werd gestopt maar een gloednieuwe mouterij draaide vanaf 1902 op volle toeren. De mouterij bleef werken tot 1976. De zoon Cyriel Vanneste (1861-1925) kon de taak van zijn vader verderzetten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in 1916 de koperen ketels door de Duitsers opgeëist, maar vanaf 1918 werd opnieuw gebrouwen in ijzeren ketels. Buiten het klassieke hoge-gistingstonnenbier werd nu ook reeds bier op flessen getrokken. Men kende er zelfs een Brugse Gueuze. Rond de jaren 1930 deed de familie Vanneste de zware investeringen voor de lage-gistingsbieren van het pilsner-type. Opvolger Jacques Vanneste richtte in 1940 de p.v.b.a. 't Hamerken op. Buiten de bieren van het pilsner- en dortmunder-type werd ook nog een Brugse Tripel gebrouwen, een donkerkleurig licht bier met een densiteit van 5 graden. In 1976 werd de mouterij stilgelegd toen bleek dat het niet meer rendabel was om op die manier mout te blijven produceren. Vanaf 1980 werd in brouwerij 't Hamerken nog het patersbier van Steenbrugge gebrouwen. Dit bier werd oorspronkelijk door de broeders van de benedictijner Sint-Pietersabdij te Steenbrugge zelf als tafelbier voor eigen gebruik gebrouwen tussen 1914 en 1943. De opeising van de koperen ketels door de Duitsers bracht hieraan een einde. De productie werd in 1958 echter hervat door Brouwerij Du Lac en werd in de loop van de jaren in verschillende brouwerijen, ook buiten Brugge, voortgezet. Pas in 1980 bracht een overeenkomst tussen Brouwerij 't Hamerken en de paters benedictijnen het bier terug naar Brugge. Maar in 1982 werd het handelsfonds van 't Hamerken door Brouwerij Haacht overgenomen en de laatste grote brouwerij van de stad dreigde te verdwijnen. Toon Denooze van Brouwerij De Hopduvel uit Gent bleef in 1982 de brouwketels echter warm houden door er het bier Stropken te brouwen.   Zie: http://www.thamerken.be/brouwerijgeschiedenis/HAMERKEN.htmDe Gouden Boom In 1983 stichtte Paul Vanneste (achterkleinzoon van de stichter) er in samenwerking met Brouwerij Frank Boon uit Lembeek de nieuwe brouwerij De Gouden Boom. Men brouwde er enkel hoge-gistingsbieren. De rij werd geopend door het Brugs Tarwebier. Brugs Tarwebier was van het begin af een succes, want het vulde in de jaren 1980 een gat in de markt van de witbieren, die toen alleen nog door Brouwerij De Kluis in Hoegaarden werden gebrouwen. De traditie van het patersbier van Steenbrugge werd ook hervat. De dubbele bruine kreeg zelfs het gezelschap van een blonde tripel. Sint Arnoldus, patroon der brouwers en stichter van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en Steenbrugge, siert de etiketten van dit Brugse abdijbier. In 1987 werd de Brugse Tripel de volgende aanwinst van De Gouden Boom. Deze Brugse Tripel was heel wat voller en steviger dan zijn voorganger bij 't Hamerken. Het werd tevens een blond bier. Vanaf 1993 gingen de brouwerijen Rodenbach en De Gouden Boom nauwer samenwerken.   In 2003 werd Brouwerij De Gouden Boom volledig overgenomen door Brouwerij Palm, die zich sindsdien Palm Breweries noemt. In 2004 werd de bierproductie in Brugge overgeheveld naar de Palm-brouwerij in Steenhuffel. Het Brouwerijmuseum, dat zich sinds 1990 in de mouterijgebouwen bevond, diende in 2005 te verhuizen naar Brouwerij De Halve Maan aan het Walplein. Brouwerij Palm verkocht in 2006 de gebouwen van Brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat in Brugge aan een projectontwikkelingsbedrijf. Een deel van de voormalige brouwerij- en mouterij-installaties werd in 2006 echter als industrieel erfgoed beschermd. De rest van de gebouwen maakte plaats voor een nieuwbouwproject met appartementen, winkels en een museumcafé. Het beschermde mouterijgebouw en de gerestaureerde woning met trapgevel uit de 17de eeuw aan de Langestraat zijn geïntegreerd in het nieuwbouwproject. Vanuit het museumcafé zijn de beschermde installaties te bezichtigenEigenaars 't HAMERKEN 1580 : de naam 't Hamerken komt de eerste keer voor als landelijk huis (St.-Jans Sestendeel fol 1027) Het huis staat bekend als herberg waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. 1770 : 't Hamerken wordt omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: 1770 : François de Knock 1816 : Louis de Busscher-Minne voor 1850 : Joannes-Baptiste Schaeverbeke x Theresia Van Wassenhove. zijn oudste zoon volgde hem op, voor de andere zoon Charles Schaeverbeke (°20.08.1852 +16.01.1919) kocht vader de brouwerij DEN ANKER in de Wijngaardstraat. Nog een andere zoon, Leon Schaverbeke richt in 1894 de brouwerij LA MARINE op in de Wollestraat. 1850 : Joannes-Baptist Schaeverbeke-Delanote 1855 : Joannes Baptist Schaeverbeke-Coppens 1872 : JULES VANNESTE (°22.10.1835 +12.02.1909) 1906 : Cyriel Vanneste (°03.05.1861 +09.03.1925) & broers Camille & Victor 1926 : Cyriel Vanneste & kinderen 1940 : Jacques Vanneste (°24.07.1908 +27.04.1985) p.v.b.a. 'T HAMERKEN 1982 : zakelijke overeenkomst met Brouwerij Haacht die het handelfonds overneemt. Depot Haacht. de gebouwen blijven eigendom van de fam. VannesteDe Gouden Boom verder zonder Paul Vanneste Palm zet stichter van brouwerij aan de deur woensdag 28 augustus 2002 Auteur: Nieuwsblad.be   BRUGGE - Paul Vanneste (57) is vanaf eind deze week niet langer het Brugse boegbeeld van brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat. Vrijdag begint hij er aan zijn laatste werkdag. Brouwerij Palm, die op 16 november 2001 een meerderheidsbelang van 93 procent in De Gouden Boom verwierf, besloot de zaak zonder Paul Vanneste te runnen. Deze laatste mag er wel nog blijven wonen.   Ook de vzw Brugs Brouwerij- en Mouterijmuseum, waarvan Paul voorzitter is, blijft in de brouwerij gevestigd. ,,We willen de continuïteit waarborgen en willen het museum daarom uitbouwen en ook investeren in een meer hedendaagse infrastructuur'', laat public relationsmanager Peter Buelens weten.   Buelens vindt het ook vanzelfsprekend dat de productie van edele bieren zoals Brugse Tripel op de huidige site blijft. ,,We hebben De Gouden Boom overgenomen omdat deze brouwerij model staat voor stadsbieren. Stadsbieren zijn enkel die naam waardig als ze in de stad worden gebrouwen. Dus wordt er voort in Brugge gebrouwen. De productie zal daarbij worden gestuurd vanuit Roeselare. Onze commerciële knowhow moet een stimulans zijn om de bieren van De Gouden Boom nog breder af te zetten.''   ,,Dit betekent het einde van de familie Vanneste op deze site. Mijn overgrootvader Jules is er in het najaar van 1872 gekomen. Zelf kwam ik op 1 oktober 1970 in de brouwerij, die toen nog 't Hamerken heette. Op 6 oktober 1983 heb ik er De Gouden Boom gesticht. Na 130 jaar verlaat ik nu als laatste Vanneste de brouwerij'', mijmert Paul.   ,,Wat ik nu zal doen? Het is nog wat te vroeg om met pensioen te gaan. Ik zoek iets anders. Mogelijk blijf ik nog in de brouwerijsector actief'', luidt het nog. In deze historiek concentreren we ons op zoon Jules Vanneste, de eigenlijke stichter van de brouwerij in de Langestraat. Jules en z’n vrouw verhuisden in 1872 naar Brugge en namen hun zes kinderen mee. In Brugge kregen ze trouwens nog eens twee kinderen! In datzelfde jaar reeds kochten ze het pand in de Langestraat 45 waar toen nog een jeneverstokerij gevestigd was. Ze betaalden er welgeteld vijfenzestigduizend frank voor. Alle installaties van de stokerij waren in deze overeenkomst opgenomen. De verkoper verbond er zich ook nog toe om de herbergen in zijn eigendom te verplichten jenever af te nemen aan Jules Vanneste. Een tweetal maanden later al kwam er een hypotheek op het huis als borg voor de accijnzen voor het verkopen van jenever. Door enkele interessante erfdelen en de verkoop van landerijen in Oostkamp en Beernem konden ze investeren in de uitbreiding van de stokerij. Er werden vele jaren goede zaken gedaan met de jeneverstokerij. In 1889 werd, mede onder invloed van de drie volwassen zonen, aan uitbreiding naar bier brouwen gedacht. Het verbruik van sterke drank als jenever nam immers snel af door allerlei campagnes en maatregelen van de overheid. Men wilde het zware alcoholisme een halt toeroepen. Bier brouwen en jenever stoken heeft ook wel enige verwantschap. Beide hebben mout als grondstof en er was een stoomketel voor nodig. De beslissing was genomen: ze gingen ook bier brouwen. Op het moment van die uitbreiding waren er in Brugge al vijfentwintig bierbrouwers actief, waarvan brouwijerij Den Arend (het latere Aigle) de grootste was.   Tonnenbier en drukvaten Buiten het toen gebruikelijke bier in houten tonnen werden ook reeds, zij het in beperkte mate, ‘drukvaten’ gebruikt. Doordat het bier in tonnen blootgesteld werd aan lucht zat er weinig druk op en was het dus nogal ‘plat’. Toch is het jarenlang heel populair gebleven. De gebruiker lieten de tonnen in z’n kelder leveren en ging en ging het dan per kan uit de kelder halen voor consumptie. ‘Gebroeders - brouwers’ deden de omzet stijgen Doordat niet alleen de vader maar ook de drie zonen vol inzet in de brouwerij actief waren steeg de omzet zienderogen. In 1898 werd dan ook een nieuw mouterijgebouw opgericht. De ‘gebroeders-brouwers’ werkten in de voormiddag in de brouwerij en gingen ‘s namiddags de baan op voor het commerciële werk. ‘ S avonds, na heel wat besprekingen en ook proeven met de cafébazen, kwamen ze thuis met een pak bestellingen. Tot 1908 was er een jaarlijkse omzetstijging van tien à twintig procent. In 1904 stootte de brouwerij door tot de tweede grootste van Brugge. In die jaren werd ook beslist om de jeneverstokerij stop te zetten. Ze kregen daar toen zelf een subsidie van de Staat voor. Als er nog jenever nodig was om de klanten te bedienen werd deze aangekocht bij de ‘Nederlandse Gist en Spiritusfabriek’ (de ‘gisfabrieke’ in het Brugs).   Tweede generatie neemt het roer over. In 1905 trok oprichter Jules Vanneste zich op zeventigjarige leeftijd volledig uit de brouwerij terug. De drie zonen stichtten de vennootschap ‘Cyrille Vanneste en broeders, maatschappij onder gezamenlijk naam. Ze maakten een akkoord over de werkverdeling. De rekeningstaten werden elke week door alle drie afgetekend zodat er geen onenigheid kon ontstaan. Elk moest om beurt ’het werkvolk bewaken en bestieren’. Toen vader Jules stierf in 1909 erfden alle kinderen en de vrouw van Jules verschillende herbergen. De broers maakten als zaakvoerders duidelijke prijsafspraken met hun zusters en moeder. Moeder kreeg twee frank per verkochte bierton in haar herbergen en de zussen kregen één frank voor de verkoop in hun herbergen…De zaken gingen goed onder het bestuur van de drie broers en dus was er ook nood aan bijkomend personeel. Men werkte er al vlug met veertien man, met name één brouwer, één stoker, één kuiper en elf brouwersgasten. Het dagloon bedroeg drie frank. De werknemers kregen toen al een verzekering tegen ziekte en arbeidsongevallen en in 1911 werd er in een refter voor het personeel voorzien. Een interessant document is het ’Reglement der werklieden van de brouwerij’. Daaruit leren we dat een werkdag toen reeds begon om zes uur ’s morgens en eindigde om acht uur ’s avonds. In de diverse artikelen lezen we ondermeer dat de werklieden ’gehouden zijn malkander vriendelijk aan te spreken’ en dat op bepaalde overtredingen boetes worden toegepast van ten hoogste vijftig centiemen daags, zoals het stelen van bier of jenever, het ’kijven ofte vechten op straat of op de werkplaats‘, ‘in het graan of mout te spuwen of zich te snuiten zonder zakdoek‘…   De biersoorten In het begin van de twintigste eeuw werd vooral bier van hoge gisting in tonnen verkocht. Het werd direct aan huis geleverd en meestal in de kelder bewaard. Kort voor W.O. I waren toch al enkele cafés uitgerust met een koolzuurgasinstallatie om het bier onder druk naar de tapkraan te leiden. Een tussenvariant waren de drukvaten waarbij de uitbater via een handpomp achter de toog lucht op het vat pompte waardoor de druk op het vat steeg en het bier naar de kraan liep. Het bier dat toen in Brugge het meest gedronken werd, was het Vlaams bruin bier. Men noemde het ook wel ‘La bière du pays’. In een publiciteit werd het als volgt omschreven: “Goutez la délicieuze Brune des Flandres à fournir par la Brasserie Cyrille Vanneste & frères, Bruges Rue Longue 41”. Daarnaast werd er ook nog witbier en bierazijn verkocht.   De sterke groei voor de oorlog De broers waren verzekerd van een grote en regelmatige afname doordat ze zestig huurpanden bezaten met verplichte afname aan de brouwerij. Daarnaast waren er ook nog de leveringen aan de vrije cafés en de particulieren. Ook aan de kust waren ze actief, in Oostende en Knokke waar het toerisme sterk opkwam. Daarnaast ook in Loppem, Beerneem, Oostkamp. In de jaren ‘10 hadden ze een driehonderdtal vaste klanten. De brouwerij was dan ook op z’n tijd ver vooruit en was volledig gemechaniseerd. Bij enkele andere brouwerijen in de stad namen ze letterlijk nog de roerstok ter hand. -- MERGED NOTE ------------ 't Hamerken Op de plaats waar Brouwerij De Gouden Boom gevestigd was, tussen de Langestraat en het Verbrand Nieuwland, brouwde al in 1455 een zekere Jan Hugheins bier. In 1580 kwam de naam 't Hamerken de eerste keer voor als landelijk huis dat bekend stond als herberg, waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. In 1770 werd 't Hamerken omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: François de Knock (1770), Louis de Busscher-Minne (1816) en voor 1850 was er nog Joannes-Baptiste Schaeverbeke, wiens zonen hem later opvolgden. Voor de familie Vanneste begon het allemaal in 1872, toen Jules Vanneste (1835-1909), een boer uit Oostkamp, zijn intrek nam in deze bestaande stokerij en mouterij 't Hamerken. Jules begon er vanaf 1889 bier te brouwen om nog geen vijf jaar later de tweede belangrijkste te zijn van de 31 Brugse brouwerijen (telling 1904). De stokerij werd gestopt maar een gloednieuwe mouterij draaide vanaf 1902 op volle toeren. De mouterij bleef werken tot 1976. De zoon Cyriel Vanneste (1861-1925) kon de taak van zijn vader verderzetten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in 1916 de koperen ketels door de Duitsers opgeëist, maar vanaf 1918 werd opnieuw gebrouwen in ijzeren ketels. Buiten het klassieke hoge-gistingstonnenbier werd nu ook reeds bier op flessen getrokken. Men kende er zelfs een Brugse Gueuze. Rond de jaren 1930 deed de familie Vanneste de zware investeringen voor de lage-gistingsbieren van het pilsner-type. Opvolger Jacques Vanneste richtte in 1940 de p.v.b.a. 't Hamerken op. Buiten de bieren van het pilsner- en dortmunder-type werd ook nog een Brugse Tripel gebrouwen, een donkerkleurig licht bier met een densiteit van 5 graden. In 1976 werd de mouterij stilgelegd toen bleek dat het niet meer rendabel was om op die manier mout te blijven produceren. Vanaf 1980 werd in brouwerij 't Hamerken nog het patersbier van Steenbrugge gebrouwen. Dit bier werd oorspronkelijk door de broeders van de benedictijner Sint-Pietersabdij te Steenbrugge zelf als tafelbier voor eigen gebruik gebrouwen tussen 1914 en 1943. De opeising van de koperen ketels door de Duitsers bracht hieraan een einde. De productie werd in 1958 echter hervat door Brouwerij Du Lac en werd in de loop van de jaren in verschillende brouwerijen, ook buiten Brugge, voortgezet. Pas in 1980 bracht een overeenkomst tussen Brouwerij 't Hamerken en de paters benedictijnen het bier terug naar Brugge. Maar in 1982 werd het handelsfonds van 't Hamerken door Brouwerij Haacht overgenomen en de laatste grote brouwerij van de stad dreigde te verdwijnen. Toon Denooze van Brouwerij De Hopduvel uit Gent bleef in 1982 de brouwketels echter warm houden door er het bier Stropken te brouwen.   Zie: http://www.thamerken.be/brouwerijgeschiedenis/HAMERKEN.htmDe Gouden Boom In 1983 stichtte Paul Vanneste (achterkleinzoon van de stichter) er in samenwerking met Brouwerij Frank Boon uit Lembeek de nieuwe brouwerij De Gouden Boom. Men brouwde er enkel hoge-gistingsbieren. De rij werd geopend door het Brugs Tarwebier. Brugs Tarwebier was van het begin af een succes, want het vulde in de jaren 1980 een gat in de markt van de witbieren, die toen alleen nog door Brouwerij De Kluis in Hoegaarden werden gebrouwen. De traditie van het patersbier van Steenbrugge werd ook hervat. De dubbele bruine kreeg zelfs het gezelschap van een blonde tripel. Sint Arnoldus, patroon der brouwers en stichter van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en Steenbrugge, siert de etiketten van dit Brugse abdijbier. In 1987 werd de Brugse Tripel de volgende aanwinst van De Gouden Boom. Deze Brugse Tripel was heel wat voller en steviger dan zijn voorganger bij 't Hamerken. Het werd tevens een blond bier. Vanaf 1993 gingen de brouwerijen Rodenbach en De Gouden Boom nauwer samenwerken.   In 2003 werd Brouwerij De Gouden Boom volledig overgenomen door Brouwerij Palm, die zich sindsdien Palm Breweries noemt. In 2004 werd de bierproductie in Brugge overgeheveld naar de Palm-brouwerij in Steenhuffel. Het Brouwerijmuseum, dat zich sinds 1990 in de mouterijgebouwen bevond, diende in 2005 te verhuizen naar Brouwerij De Halve Maan aan het Walplein. Brouwerij Palm verkocht in 2006 de gebouwen van Brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat in Brugge aan een projectontwikkelingsbedrijf. Een deel van de voormalige brouwerij- en mouterij-installaties werd in 2006 echter als industrieel erfgoed beschermd. De rest van de gebouwen maakte plaats voor een nieuwbouwproject met appartementen, winkels en een museumcafé. Het beschermde mouterijgebouw en de gerestaureerde woning met trapgevel uit de 17de eeuw aan de Langestraat zijn geïntegreerd in het nieuwbouwproject. Vanuit het museumcafé zijn de beschermde installaties te bezichtigenEigenaars 't HAMERKEN 1580 : de naam 't Hamerken komt de eerste keer voor als landelijk huis (St.-Jans Sestendeel fol 1027) Het huis staat bekend als herberg waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. 1770 : 't Hamerken wordt omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: 1770 : François de Knock 1816 : Louis de Busscher-Minne voor 1850 : Joannes-Baptiste Schaeverbeke x Theresia Van Wassenhove. zijn oudste zoon volgde hem op, voor de andere zoon Charles Schaeverbeke (°20.08.1852 +16.01.1919) kocht vader de brouwerij DEN ANKER in de Wijngaardstraat. Nog een andere zoon, Leon Schaverbeke richt in 1894 de brouwerij LA MARINE op in de Wollestraat. 1850 : Joannes-Baptist Schaeverbeke-Delanote 1855 : Joannes Baptist Schaeverbeke-Coppens 1872 : JULES VANNESTE (°22.10.1835 +12.02.1909) 1906 : Cyriel Vanneste (°03.05.1861 +09.03.1925) & broers Camille & Victor 1926 : Cyriel Vanneste & kinderen 1940 : Jacques Vanneste (°24.07.1908 +27.04.1985) p.v.b.a. 'T HAMERKEN 1982 : zakelijke overeenkomst met Brouwerij Haacht die het handelfonds overneemt. Depot Haacht. de gebouwen blijven eigendom van de fam. VannesteDe Gouden Boom verder zonder Paul Vanneste Palm zet stichter van brouwerij aan de deur woensdag 28 augustus 2002 Auteur: Nieuwsblad.be   BRUGGE - Paul Vanneste (57) is vanaf eind deze week niet langer het Brugse boegbeeld van brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat. Vrijdag begint hij er aan zijn laatste werkdag. Brouwerij Palm, die op 16 november 2001 een meerderheidsbelang van 93 procent in De Gouden Boom verwierf, besloot de zaak zonder Paul Vanneste te runnen. Deze laatste mag er wel nog blijven wonen.   Ook de vzw Brugs Brouwerij- en Mouterijmuseum, waarvan Paul voorzitter is, blijft in de brouwerij gevestigd. ,,We willen de continuïteit waarborgen en willen het museum daarom uitbouwen en ook investeren in een meer hedendaagse infrastructuur'', laat public relationsmanager Peter Buelens weten.   Buelens vindt het ook vanzelfsprekend dat de productie van edele bieren zoals Brugse Tripel op de huidige site blijft. ,,We hebben De Gouden Boom overgenomen omdat deze brouwerij model staat voor stadsbieren. Stadsbieren zijn enkel die naam waardig als ze in de stad worden gebrouwen. Dus wordt er voort in Brugge gebrouwen. De productie zal daarbij worden gestuurd vanuit Roeselare. Onze commerciële knowhow moet een stimulans zijn om de bieren van De Gouden Boom nog breder af te zetten.''   ,,Dit betekent het einde van de familie Vanneste op deze site. Mijn overgrootvader Jules is er in het najaar van 1872 gekomen. Zelf kwam ik op 1 oktober 1970 in de brouwerij, die toen nog 't Hamerken heette. Op 6 oktober 1983 heb ik er De Gouden Boom gesticht. Na 130 jaar verlaat ik nu als laatste Vanneste de brouwerij'', mijmert Paul.   ,,Wat ik nu zal doen? Het is nog wat te vroeg om met pensioen te gaan. Ik zoek iets anders. Mogelijk blijf ik nog in de brouwerijsector actief'', luidt het nog. In deze historiek concentreren we ons op zoon Jules Vanneste, de eigenlijke stichter van de brouwerij in de Langestraat. Jules en z’n vrouw verhuisden in 1872 naar Brugge en namen hun zes kinderen mee. In Brugge kregen ze trouwens nog eens twee kinderen! In datzelfde jaar reeds kochten ze het pand in de Langestraat 45 waar toen nog een jeneverstokerij gevestigd was. Ze betaalden er welgeteld vijfenzestigduizend frank voor. Alle installaties van de stokerij waren in deze overeenkomst opgenomen. De verkoper verbond er zich ook nog toe om de herbergen in zijn eigendom te verplichten jenever af te nemen aan Jules Vanneste. Een tweetal maanden later al kwam er een hypotheek op het huis als borg voor de accijnzen voor het verkopen van jenever. Door enkele interessante erfdelen en de verkoop van landerijen in Oostkamp en Beernem konden ze investeren in de uitbreiding van de stokerij. Er werden vele jaren goede zaken gedaan met de jeneverstokerij. In 1889 werd, mede onder invloed van de drie volwassen zonen, aan uitbreiding naar bier brouwen gedacht. Het verbruik van sterke drank als jenever nam immers snel af door allerlei campagnes en maatregelen van de overheid. Men wilde het zware alcoholisme een halt toeroepen. Bier brouwen en jenever stoken heeft ook wel enige verwantschap. Beide hebben mout als grondstof en er was een stoomketel voor nodig. De beslissing was genomen: ze gingen ook bier brouwen. Op het moment van die uitbreiding waren er in Brugge al vijfentwintig bierbrouwers actief, waarvan brouwijerij Den Arend (het latere Aigle) de grootste was.   Tonnenbier en drukvaten Buiten het toen gebruikelijke bier in houten tonnen werden ook reeds, zij het in beperkte mate, ‘drukvaten’ gebruikt. Doordat het bier in tonnen blootgesteld werd aan lucht zat er weinig druk op en was het dus nogal ‘plat’. Toch is het jarenlang heel populair gebleven. De gebruiker lieten de tonnen in z’n kelder leveren en ging en ging het dan per kan uit de kelder halen voor consumptie. ‘Gebroeders - brouwers’ deden de omzet stijgen Doordat niet alleen de vader maar ook de drie zonen vol inzet in de brouwerij actief waren steeg de omzet zienderogen. In 1898 werd dan ook een nieuw mouterijgebouw opgericht. De ‘gebroeders-brouwers’ werkten in de voormiddag in de brouwerij en gingen ‘s namiddags de baan op voor het commerciële werk. ‘ S avonds, na heel wat besprekingen en ook proeven met de cafébazen, kwamen ze thuis met een pak bestellingen. Tot 1908 was er een jaarlijkse omzetstijging van tien à twintig procent. In 1904 stootte de brouwerij door tot de tweede grootste van Brugge. In die jaren werd ook beslist om de jeneverstokerij stop te zetten. Ze kregen daar toen zelf een subsidie van de Staat voor. Als er nog jenever nodig was om de klanten te bedienen werd deze aangekocht bij de ‘Nederlandse Gist en Spiritusfabriek’ (de ‘gisfabrieke’ in het Brugs).   Tweede generatie neemt het roer over. In 1905 trok oprichter Jules Vanneste zich op zeventigjarige leeftijd volledig uit de brouwerij terug. De drie zonen stichtten de vennootschap ‘Cyrille Vanneste en broeders, maatschappij onder gezamenlijk naam. Ze maakten een akkoord over de werkverdeling. De rekeningstaten werden elke week door alle drie afgetekend zodat er geen onenigheid kon ontstaan. Elk moest om beurt ’het werkvolk bewaken en bestieren’. Toen vader Jules stierf in 1909 erfden alle kinderen en de vrouw van Jules verschillende herbergen. De broers maakten als zaakvoerders duidelijke prijsafspraken met hun zusters en moeder. Moeder kreeg twee frank per verkochte bierton in haar herbergen en de zussen kregen één frank voor de verkoop in hun herbergen…De zaken gingen goed onder het bestuur van de drie broers en dus was er ook nood aan bijkomend personeel. Men werkte er al vlug met veertien man, met name één brouwer, één stoker, één kuiper en elf brouwersgasten. Het dagloon bedroeg drie frank. De werknemers kregen toen al een verzekering tegen ziekte en arbeidsongevallen en in 1911 werd er in een refter voor het personeel voorzien. Een interessant document is het ’Reglement der werklieden van de brouwerij’. Daaruit leren we dat een werkdag toen reeds begon om zes uur ’s morgens en eindigde om acht uur ’s avonds. In de diverse artikelen lezen we ondermeer dat de werklieden ’gehouden zijn malkander vriendelijk aan te spreken’ en dat op bepaalde overtredingen boetes worden toegepast van ten hoogste vijftig centiemen daags, zoals het stelen van bier of jenever, het ’kijven ofte vechten op straat of op de werkplaats‘, ‘in het graan of mout te spuwen of zich te snuiten zonder zakdoek‘…   De biersoorten In het begin van de twintigste eeuw werd vooral bier van hoge gisting in tonnen verkocht. Het werd direct aan huis geleverd en meestal in de kelder bewaard. Kort voor W.O. I waren toch al enkele cafés uitgerust met een koolzuurgasinstallatie om het bier onder druk naar de tapkraan te leiden. Een tussenvariant waren de drukvaten waarbij de uitbater via een handpomp achter de toog lucht op het vat pompte waardoor de druk op het vat steeg en het bier naar de kraan liep. Het bier dat toen in Brugge het meest gedronken werd, was het Vlaams bruin bier. Men noemde het ook wel ‘La bière du pays’. In een publiciteit werd het als volgt omschreven: “Goutez la délicieuze Brune des Flandres à fournir par la Brasserie Cyrille Vanneste & frères, Bruges Rue Longue 41”. Daarnaast werd er ook nog witbier en bierazijn verkocht.   De sterke groei voor de oorlog De broers waren verzekerd van een grote en regelmatige afname doordat ze zestig huurpanden bezaten met verplichte afname aan de brouwerij. Daarnaast waren er ook nog de leveringen aan de vrije cafés en de particulieren. Ook aan de kust waren ze actief, in Oostende en Knokke waar het toerisme sterk opkwam. Daarnaast ook in Loppem, Beerneem, Oostkamp. In de jaren ‘10 hadden ze een driehonderdtal vaste klanten. De brouwerij was dan ook op z’n tijd ver vooruit en was volledig gemechaniseerd. Bij enkele andere brouwerijen in de stad namen ze letterlijk nog de roerstok ter hand. | Vanneste, Jules Judocus (I8022)
|
| 444 | (tante Lieve van Heule) | Vandeputte, (Tante Lieve Van Heule) Tante Lieve Van Heule (I89)
|
| 445 | (tante Lieve van Heule) | Vandeputte, (Tante Lieve Van Heule) Tante Lieve Van Heule (I89)
|
| 446 |
| Vandepoele, Godfried, Albert, Julius (I502026)
|
| 447 |
| Vandepoele, Godfried Albert Julius (I8777)
|
| 448 |
| Vandepoele, Godfried Albert Julius (I8777)
|
| 449 | brouwer burgerhopman en cameraar van Utrecht | Uyttenbogaart) (Wtenbogaert), Frans Gerritsz (I501639)
|
| 450 | brouwer burgerhopman en cameraar van Utrecht | Uyttenbogaart) (Wtenbogaert), Frans Gerritsz (I8487)
|
| 451 | brouwer burgerhopman en cameraar van Utrecht | Uyttenbogaart) (Wtenbogaert), Frans Gerritsz (I8487)
|
| 452 | raad der stad Urecht raad en vroedschap rentmeester St.Catharinen Convent | Uyttenbogaart) (Wtenbogaert), Peter (I501632)
|
| 453 | raad der stad Urecht raad en vroedschap rentmeester St.Catharinen Convent | Uyttenbogaart) (Wtenbogaert), Peter (I8483)
|
| 454 | raad der stad Urecht raad en vroedschap rentmeester St.Catharinen Convent | Uyttenbogaart) (Wtenbogaert), Peter (I8483)
|
| 455 | De naam Asselbergs laat in Bergen op Zoom een eerste spoor na op 31 januari 1800 In het gemeentearchief daar bevindt zich de minuut van een notariële akte gepasseerd voor notaris van Swieten: "
Pieter Jan Hasselberg, wonende te Hoboken over een partij hout, welke verkocht wordt staande aan de Zuid Zijde der Haven te Bergen op Zoom. Ondertekend door: Peeter Joannes Asselbergs. Volgens de volk
stelling van 1796 te Hoboken, België is deze Petrus Joannes Asselbergs op dat moment 25 jaar oud en dus geboren in 1771 Een tweede document geeft duidelijkheid over de aanwezigheid van "onze" Petrus
Josephus in Bergen op Zoom als blijkt dat op 10 februari 1804 in de vorm van een resolutie van het gemeentebestuur ene Petrus Josephus Asselberghs tot poorter van Bergen op Zoom is toegelaten. De lett
erlijke tekst van zijn verzoek luidt alsvolgt: Aan het Gemeentebestuur van Bergen op Zoom "Geeft referentlelijk te kennen Petrus Asselberghs geboortig uit Loenhout en wonend binnen deze stad, dat de r
equestrant zich hier wilt etabliseren en de burger-nering excerseren, dan dat alvorens tot Poorter en Borger moet zijn geadmitteerd en weshalve requestrant zich keert tot het gemeentebestuur ootmoedig
verzoekende, dat Uwe hem als Poorter en Borger gelieve te admitteren, bereid zijnde te presteren den eed en te betalen de jura daartoe staande en 't welk doende etc. etc". Daags nadien gaat hij in on
dertrouw (bron: Ondertrouwboek Schepenbank 1799-1810, Bergen op Zoom) om vervolgens op 26 februari van dat jaar in het huwelijk te treden. Een portret van Petrus Josephus heb ik (nog) niet kunnen vind
en. Wel een paspoort aan hem verstrekt, zodat we ongeveer weten hoe hij eruit moet hebben gezien: "09-01-1812 Pierre Asselberghs, Boutiquier a Berg op Zoom, âge de 39 ans, taille 166, cheveux châtai
ns, front ordinaire, sourcils châtains, yeux grisâtres, nez aquilon, bouche moyenne, menton rond, visage ovale, teint peu coloré". Het echtpaar Asselbergs-van Egeraat gaat wonen in het pand "De Kle
ine Molensteen" wijk 1 no. 128 (nu Potterstraat nr. 16) waar Petrus Josephus al eerder een huis bezat. Hun eerste drie kinderen worden er geboren. Op 13 februari 1809 koopt hij het ernaast gelegen pan
d "De Konijnsberg" wijk 1 no. 127 (nu Potterstraat nr. 18) van Dina Borrie, weduwe van Jacob Schiebeler De koopsom bedraagt 900 gulden. Hij start er een handel in kruidenierswaren en aanverwante zaken
. Dit echtpaar zag hun huwelijk gezegend met elf kinderen en legdedaarmee de basis voor een wijdvertakte Bergse familie van de Asselbergsen. Dat hij zich buiten zijn winkel ook met andere zaken bezig
hield moge blijken uit het volgende: In het voorjaar van 1814 deden de Engelse troepen, onder leiding van generaal Graham, een aanval op Bergen op Zoom om deze te bevrijden van de Franse overheersing.
We mogen aannemen, dat ook de watermolen gelegen aan de Bergen op Zoomse haven hierbij schade opliep gezien het volgende contract: "Wij ondergetekenden: P. Asschenberg en Jan Smits, molenaars, wonend
te Bergen op Zoom, verklaren ter requisitie en op verzoek van P. Mouw, molenaar der Water Korenmolen, dat met den watermolen binnen 24 uur kan gemalen worden: 80 à 100 zak graan, dat de molenaar...
van maalloon geniet..... zak tarwe 10 stuivers en 6 duiten,... zak rogge 71/2 stuiver alsmede 2 pond stuifmeel per zak". Was getekend: P. Asselberghs en J. Smits De eisch van P. Mouw ad. 1725,00 gulde
n wegens schade der troebelen 1814 We zien hier, dat Petrus Josephus Asselbergs, eigenaar P. Mouw komt helpen de watermolen te repareren. De kennis om molens te repareren had Petrus Josephus waarschij
nlijk van huis uit meegekregen. In het bevolkingsregister van Bergen op Zoom 1850-1860 staan voor het pand Potterstraat wijk J nummer 127 de volgende bewoners vermeldt: Petronella van Egeraat, Corneli
s Asselbergs, Petronella Cornelia Asselbergs en Johanna Elisabeth Oudens (een nichtje van Cornelis en Petronella Cornelia Asselbergs).
Sources:
- décès: HCM Bergen op Zoom, akte: 58 d.d
. 11-04-1840
- mariage: HCM Bergen op Zoom, Trouwboek Schepenbank 1799-1808
 
De naam Asselbergs laat in Bergen op Zoom een eerste spoor na op 31 januari 1800 In het gemeentearc
hief daar bevindt zich de minuut van een notariële akte gepasseerd voor notaris van Swieten: "Pieter Jan Hasselberg, wonende te Hoboken over een partij hout, welke verkocht wordt staande aan de Zuid
Zijde der Haven te Bergen op Zoom. Ondertekend door: Peeter Joannes Asselbergs. Volgens de volkstelling van 1796 te Hoboken, België is deze Petrus Joannes Asselbergs op dat moment 25 jaar oud en dus
geboren in 1771 Een tweede document geeft duidelijkheid over de aanwezigheid van "onze" Petrus Josephus in Bergen op Zoom als blijkt dat op 10 februari 1804 in de vorm van een resolutie van het gemeen
tebestuur ene Petrus Josephus Asselberghs tot poorter van Bergen op Zoom is toegelaten. De letterlijke tekst van zijn verzoek luidt alsvolgt: Aan het Gemeentebestuur van Bergen op Zoom "Geeft referent
lelijk te kennen Petrus Asselberghs geboortig uit Loenhout en wonend binnen deze stad, dat de requestrant zich hier wilt etabliseren en de burger-nering excerseren, dan dat alvorens tot Poorter en Bor
ger moet zijn geadmitteerd en weshalve requestrant zich keert tot het gemeentebestuur ootmoedig verzoekende, dat Uwe hem als Poorter en Borger gelieve te admitteren, bereid zijnde te presteren den eed
en te betalen de jura daartoe staande en 't welk doende etc. etc". Daags nadien gaat hij in ondertrouw (bron: Ondertrouwboek Schepenbank 1799-1810, Bergen op Zoom) om vervolgens op 26 februari van da
t jaar in het huwelijk te treden. Een portret van Petrus Josephus heb ik (nog) niet kunnen vinden. Wel een paspoort aan hem verstrekt, zodat we ongeveer weten hoe hij eruit moet hebben gezien: "09-01-
1812 Pierre Asselberghs, Boutiquier a Berg op Zoom, âge de 39 ans, taille 166, cheveux châtains, front ordinaire, sourcils châtains, yeux grisâtres, nez aquilon, bouche moyenne, menton rond, visag
e ovale, teint peu coloré". Het echtpaar Asselbergs-van Egeraat gaat wonen in het pand "De Kleine Molensteen" wijk 1 no. 128 (nu Potterstraat nr. 16) waar Petrus Josephus al eerder een huis bezat. Hu
n eerste drie kinderen worden er geboren. Op 13 februari 1809 koopt hij het ernaast gelegen pand "De Konijnsberg" wijk 1 no. 127 (nu Potterstraat nr. 18) van Dina Borrie, weduwe van Jacob Schiebeler D
e koopsom bedraagt 900 gulden. Hij start er een handel in kruidenierswaren en aanverwante zaken. Dit echtpaar zag hun huwelijk gezegend met elf kinderen en legdedaarmee de basis voor een wijdvertakte
Bergse familie van de Asselbergsen. Dat hij zich buiten zijn winkel ook met andere zaken bezig hield moge blijken uit het volgende: In het voorjaar van 1814 deden de Engelse troepen, onder leiding van
generaal Graham, een aanval op Bergen op Zoom om deze te bevrijden van de Franse overheersing. We mogen aannemen, dat ook de watermolen gelegen aan de Bergen op Zoomse haven hierbij schade opliep gez
ien het volgende contract: "Wij ondergetekenden: P. Asschenberg en Jan Smits, molenaars, wonend te Bergen op Zoom, verklaren ter requisitie en op verzoek van P. Mouw, molenaar der Water Korenmolen, da
t met den watermolen binnen 24 uur kan gemalen worden: 80 à 100 zak graan, dat de molenaar... van maalloon geniet..... zak tarwe 10 stuivers en 6 duiten,... zak rogge 71/2 stuiver alsmede 2 pond stui
fmeel per zak". Was getekend: P. Asselberghs en J. Smits De eisch van P. Mouw ad. 1725,00 gulden wegens schade der troebelen 1814 We zien hier, dat Petrus Josephus Asselbergs, eigenaar P. Mouw komt he
lpen de watermolen te repareren. De kennis om molens te repareren had Petrus Josephus waarschijnlijk van huis uit meegekregen. In het bevolkingsregister van Bergen op Zoom 1850-1860 staan voor het pan
d Potterstraat wijk J nummer 127 de volgende bewoners vermeldt: Petronella van Egeraat, Cornelis Asselbergs, Petronella Cornelia Asselbergs en Johanna Elisabeth Oudens (een nichtje van Cornelis en Pet
ronella Cornelia Asselbergs). | Asselbergs, Petrus Josephus (I502076)
|
| 456 | De naam Asselbergs laat in Bergen op Zoom een eerste spoor na op 31 januari 1800 In het gemeentearchief daar bevindt zich de minuut van een notariële akte gepasseerd voor notaris van Swieten: "
Pieter Jan Hasselberg, wonende te Hoboken over een partij hout, welke verkocht wordt staande aan de Zuid Zijde der Haven te Bergen op Zoom. Ondertekend door: Peeter Joannes Asselbergs. Volgens de volk
stelling van 1796 te Hoboken, België is deze Petrus Joannes Asselbergs op dat moment 25 jaar oud en dus geboren in 1771 Een tweede document geeft duidelijkheid over de aanwezigheid van "onze" Petrus
Josephus in Bergen op Zoom als blijkt dat op 10 februari 1804 in de vorm van een resolutie van het gemeentebestuur ene Petrus Josephus Asselberghs tot poorter van Bergen op Zoom is toegelaten. De lett
erlijke tekst van zijn verzoek luidt alsvolgt: Aan het Gemeentebestuur van Bergen op Zoom "Geeft referentlelijk te kennen Petrus Asselberghs geboortig uit Loenhout en wonend binnen deze stad, dat de r
equestrant zich hier wilt etabliseren en de burger-nering excerseren, dan dat alvorens tot Poorter en Borger moet zijn geadmitteerd en weshalve requestrant zich keert tot het gemeentebestuur ootmoedig
verzoekende, dat Uwe hem als Poorter en Borger gelieve te admitteren, bereid zijnde te presteren den eed en te betalen de jura daartoe staande en 't welk doende etc. etc". Daags nadien gaat hij in on
dertrouw (bron: Ondertrouwboek Schepenbank 1799-1810, Bergen op Zoom) om vervolgens op 26 februari van dat jaar in het huwelijk te treden. Een portret van Petrus Josephus heb ik (nog) niet kunnen vind
en. Wel een paspoort aan hem verstrekt, zodat we ongeveer weten hoe hij eruit moet hebben gezien: "09-01-1812 Pierre Asselberghs, Boutiquier a Berg op Zoom, âge de 39 ans, taille 166, cheveux châtai
ns, front ordinaire, sourcils châtains, yeux grisâtres, nez aquilon, bouche moyenne, menton rond, visage ovale, teint peu coloré". Het echtpaar Asselbergs-van Egeraat gaat wonen in het pand "De Kle
ine Molensteen" wijk 1 no. 128 (nu Potterstraat nr. 16) waar Petrus Josephus al eerder een huis bezat. Hun eerste drie kinderen worden er geboren. Op 13 februari 1809 koopt hij het ernaast gelegen pan
d "De Konijnsberg" wijk 1 no. 127 (nu Potterstraat nr. 18) van Dina Borrie, weduwe van Jacob Schiebeler De koopsom bedraagt 900 gulden. Hij start er een handel in kruidenierswaren en aanverwante zaken
. Dit echtpaar zag hun huwelijk gezegend met elf kinderen en legdedaarmee de basis voor een wijdvertakte Bergse familie van de Asselbergsen. Dat hij zich buiten zijn winkel ook met andere zaken bezig
hield moge blijken uit het volgende: In het voorjaar van 1814 deden de Engelse troepen, onder leiding van generaal Graham, een aanval op Bergen op Zoom om deze te bevrijden van de Franse overheersing.
We mogen aannemen, dat ook de watermolen gelegen aan de Bergen op Zoomse haven hierbij schade opliep gezien het volgende contract: "Wij ondergetekenden: P. Asschenberg en Jan Smits, molenaars, wonend
te Bergen op Zoom, verklaren ter requisitie en op verzoek van P. Mouw, molenaar der Water Korenmolen, dat met den watermolen binnen 24 uur kan gemalen worden: 80 à 100 zak graan, dat de molenaar...
van maalloon geniet..... zak tarwe 10 stuivers en 6 duiten,... zak rogge 71/2 stuiver alsmede 2 pond stuifmeel per zak". Was getekend: P. Asselberghs en J. Smits De eisch van P. Mouw ad. 1725,00 gulde
n wegens schade der troebelen 1814 We zien hier, dat Petrus Josephus Asselbergs, eigenaar P. Mouw komt helpen de watermolen te repareren. De kennis om molens te repareren had Petrus Josephus waarschij
nlijk van huis uit meegekregen. In het bevolkingsregister van Bergen op Zoom 1850-1860 staan voor het pand Potterstraat wijk J nummer 127 de volgende bewoners vermeldt: Petronella van Egeraat, Corneli
s Asselbergs, Petronella Cornelia Asselbergs en Johanna Elisabeth Oudens (een nichtje van Cornelis en Petronella Cornelia Asselbergs).
Sources:
- décès: HCM Bergen op Zoom, akte: 58 d.d
. 11-04-1840
- mariage: HCM Bergen op Zoom, Trouwboek Schepenbank 1799-1808
 
De naam Asselbergs laat in Bergen op Zoom een eerste spoor na op 31 januari 1800 In het gemeentearc
hief daar bevindt zich de minuut van een notariële akte gepasseerd voor notaris van Swieten: "Pieter Jan Hasselberg, wonende te Hoboken over een partij hout, welke verkocht wordt staande aan de Zuid
Zijde der Haven te Bergen op Zoom. Ondertekend door: Peeter Joannes Asselbergs. Volgens de volkstelling van 1796 te Hoboken, België is deze Petrus Joannes Asselbergs op dat moment 25 jaar oud en dus
geboren in 1771 Een tweede document geeft duidelijkheid over de aanwezigheid van "onze" Petrus Josephus in Bergen op Zoom als blijkt dat op 10 februari 1804 in de vorm van een resolutie van het gemeen
tebestuur ene Petrus Josephus Asselberghs tot poorter van Bergen op Zoom is toegelaten. De letterlijke tekst van zijn verzoek luidt alsvolgt: Aan het Gemeentebestuur van Bergen op Zoom "Geeft referent
lelijk te kennen Petrus Asselberghs geboortig uit Loenhout en wonend binnen deze stad, dat de requestrant zich hier wilt etabliseren en de burger-nering excerseren, dan dat alvorens tot Poorter en Bor
ger moet zijn geadmitteerd en weshalve requestrant zich keert tot het gemeentebestuur ootmoedig verzoekende, dat Uwe hem als Poorter en Borger gelieve te admitteren, bereid zijnde te presteren den eed
en te betalen de jura daartoe staande en 't welk doende etc. etc". Daags nadien gaat hij in ondertrouw (bron: Ondertrouwboek Schepenbank 1799-1810, Bergen op Zoom) om vervolgens op 26 februari van da
t jaar in het huwelijk te treden. Een portret van Petrus Josephus heb ik (nog) niet kunnen vinden. Wel een paspoort aan hem verstrekt, zodat we ongeveer weten hoe hij eruit moet hebben gezien: "09-01-
1812 Pierre Asselberghs, Boutiquier a Berg op Zoom, âge de 39 ans, taille 166, cheveux châtains, front ordinaire, sourcils châtains, yeux grisâtres, nez aquilon, bouche moyenne, menton rond, visag
e ovale, teint peu coloré". Het echtpaar Asselbergs-van Egeraat gaat wonen in het pand "De Kleine Molensteen" wijk 1 no. 128 (nu Potterstraat nr. 16) waar Petrus Josephus al eerder een huis bezat. Hu
n eerste drie kinderen worden er geboren. Op 13 februari 1809 koopt hij het ernaast gelegen pand "De Konijnsberg" wijk 1 no. 127 (nu Potterstraat nr. 18) van Dina Borrie, weduwe van Jacob Schiebeler D
e koopsom bedraagt 900 gulden. Hij start er een handel in kruidenierswaren en aanverwante zaken. Dit echtpaar zag hun huwelijk gezegend met elf kinderen en legdedaarmee de basis voor een wijdvertakte
Bergse familie van de Asselbergsen. Dat hij zich buiten zijn winkel ook met andere zaken bezig hield moge blijken uit het volgende: In het voorjaar van 1814 deden de Engelse troepen, onder leiding van
generaal Graham, een aanval op Bergen op Zoom om deze te bevrijden van de Franse overheersing. We mogen aannemen, dat ook de watermolen gelegen aan de Bergen op Zoomse haven hierbij schade opliep gez
ien het volgende contract: "Wij ondergetekenden: P. Asschenberg en Jan Smits, molenaars, wonend te Bergen op Zoom, verklaren ter requisitie en op verzoek van P. Mouw, molenaar der Water Korenmolen, da
t met den watermolen binnen 24 uur kan gemalen worden: 80 à 100 zak graan, dat de molenaar... van maalloon geniet..... zak tarwe 10 stuivers en 6 duiten,... zak rogge 71/2 stuiver alsmede 2 pond stui
fmeel per zak". Was getekend: P. Asselberghs en J. Smits De eisch van P. Mouw ad. 1725,00 gulden wegens schade der troebelen 1814 We zien hier, dat Petrus Josephus Asselbergs, eigenaar P. Mouw komt he
lpen de watermolen te repareren. De kennis om molens te repareren had Petrus Josephus waarschijnlijk van huis uit meegekregen. In het bevolkingsregister van Bergen op Zoom 1850-1860 staan voor het pan
d Potterstraat wijk J nummer 127 de volgende bewoners vermeldt: Petronella van Egeraat, Cornelis Asselbergs, Petronella Cornelia Asselbergs en Johanna Elisabeth Oudens (een nichtje van Cornelis en Pet
ronella Cornelia Asselbergs). | Asselbergs, Petrus Josephus (I9586)
|
| 457 | De naam Asselbergs laat in Bergen op Zoom een eerste spoor na op 31 januari 1800 In het gemeentearchief daar bevindt zich de minuut van een notariële akte gepasseerd voor notaris van Swieten: "
Pieter Jan Hasselberg, wonende te Hoboken over een partij hout, welke verkocht wordt staande aan de Zuid Zijde der Haven te Bergen op Zoom. Ondertekend door: Peeter Joannes Asselbergs. Volgens de volk
stelling van 1796 te Hoboken, België is deze Petrus Joannes Asselbergs op dat moment 25 jaar oud en dus geboren in 1771 Een tweede document geeft duidelijkheid over de aanwezigheid van "onze" Petrus
Josephus in Bergen op Zoom als blijkt dat op 10 februari 1804 in de vorm van een resolutie van het gemeentebestuur ene Petrus Josephus Asselberghs tot poorter van Bergen op Zoom is toegelaten. De lett
erlijke tekst van zijn verzoek luidt alsvolgt: Aan het Gemeentebestuur van Bergen op Zoom "Geeft referentlelijk te kennen Petrus Asselberghs geboortig uit Loenhout en wonend binnen deze stad, dat de r
equestrant zich hier wilt etabliseren en de burger-nering excerseren, dan dat alvorens tot Poorter en Borger moet zijn geadmitteerd en weshalve requestrant zich keert tot het gemeentebestuur ootmoedig
verzoekende, dat Uwe hem als Poorter en Borger gelieve te admitteren, bereid zijnde te presteren den eed en te betalen de jura daartoe staande en 't welk doende etc. etc". Daags nadien gaat hij in on
dertrouw (bron: Ondertrouwboek Schepenbank 1799-1810, Bergen op Zoom) om vervolgens op 26 februari van dat jaar in het huwelijk te treden. Een portret van Petrus Josephus heb ik (nog) niet kunnen vind
en. Wel een paspoort aan hem verstrekt, zodat we ongeveer weten hoe hij eruit moet hebben gezien: "09-01-1812 Pierre Asselberghs, Boutiquier a Berg op Zoom, âge de 39 ans, taille 166, cheveux châtai
ns, front ordinaire, sourcils châtains, yeux grisâtres, nez aquilon, bouche moyenne, menton rond, visage ovale, teint peu coloré". Het echtpaar Asselbergs-van Egeraat gaat wonen in het pand "De Kle
ine Molensteen" wijk 1 no. 128 (nu Potterstraat nr. 16) waar Petrus Josephus al eerder een huis bezat. Hun eerste drie kinderen worden er geboren. Op 13 februari 1809 koopt hij het ernaast gelegen pan
d "De Konijnsberg" wijk 1 no. 127 (nu Potterstraat nr. 18) van Dina Borrie, weduwe van Jacob Schiebeler De koopsom bedraagt 900 gulden. Hij start er een handel in kruidenierswaren en aanverwante zaken
. Dit echtpaar zag hun huwelijk gezegend met elf kinderen en legdedaarmee de basis voor een wijdvertakte Bergse familie van de Asselbergsen. Dat hij zich buiten zijn winkel ook met andere zaken bezig
hield moge blijken uit het volgende: In het voorjaar van 1814 deden de Engelse troepen, onder leiding van generaal Graham, een aanval op Bergen op Zoom om deze te bevrijden van de Franse overheersing.
We mogen aannemen, dat ook de watermolen gelegen aan de Bergen op Zoomse haven hierbij schade opliep gezien het volgende contract: "Wij ondergetekenden: P. Asschenberg en Jan Smits, molenaars, wonend
te Bergen op Zoom, verklaren ter requisitie en op verzoek van P. Mouw, molenaar der Water Korenmolen, dat met den watermolen binnen 24 uur kan gemalen worden: 80 à 100 zak graan, dat de molenaar...
van maalloon geniet..... zak tarwe 10 stuivers en 6 duiten,... zak rogge 71/2 stuiver alsmede 2 pond stuifmeel per zak". Was getekend: P. Asselberghs en J. Smits De eisch van P. Mouw ad. 1725,00 gulde
n wegens schade der troebelen 1814 We zien hier, dat Petrus Josephus Asselbergs, eigenaar P. Mouw komt helpen de watermolen te repareren. De kennis om molens te repareren had Petrus Josephus waarschij
nlijk van huis uit meegekregen. In het bevolkingsregister van Bergen op Zoom 1850-1860 staan voor het pand Potterstraat wijk J nummer 127 de volgende bewoners vermeldt: Petronella van Egeraat, Corneli
s Asselbergs, Petronella Cornelia Asselbergs en Johanna Elisabeth Oudens (een nichtje van Cornelis en Petronella Cornelia Asselbergs).
Sources:
- décès: HCM Bergen op Zoom, akte: 58 d.d
. 11-04-1840
- mariage: HCM Bergen op Zoom, Trouwboek Schepenbank 1799-1808
 
De naam Asselbergs laat in Bergen op Zoom een eerste spoor na op 31 januari 1800 In het gemeentearc
hief daar bevindt zich de minuut van een notariële akte gepasseerd voor notaris van Swieten: "Pieter Jan Hasselberg, wonende te Hoboken over een partij hout, welke verkocht wordt staande aan de Zuid
Zijde der Haven te Bergen op Zoom. Ondertekend door: Peeter Joannes Asselbergs. Volgens de volkstelling van 1796 te Hoboken, België is deze Petrus Joannes Asselbergs op dat moment 25 jaar oud en dus
geboren in 1771 Een tweede document geeft duidelijkheid over de aanwezigheid van "onze" Petrus Josephus in Bergen op Zoom als blijkt dat op 10 februari 1804 in de vorm van een resolutie van het gemeen
tebestuur ene Petrus Josephus Asselberghs tot poorter van Bergen op Zoom is toegelaten. De letterlijke tekst van zijn verzoek luidt alsvolgt: Aan het Gemeentebestuur van Bergen op Zoom "Geeft referent
lelijk te kennen Petrus Asselberghs geboortig uit Loenhout en wonend binnen deze stad, dat de requestrant zich hier wilt etabliseren en de burger-nering excerseren, dan dat alvorens tot Poorter en Bor
ger moet zijn geadmitteerd en weshalve requestrant zich keert tot het gemeentebestuur ootmoedig verzoekende, dat Uwe hem als Poorter en Borger gelieve te admitteren, bereid zijnde te presteren den eed
en te betalen de jura daartoe staande en 't welk doende etc. etc". Daags nadien gaat hij in ondertrouw (bron: Ondertrouwboek Schepenbank 1799-1810, Bergen op Zoom) om vervolgens op 26 februari van da
t jaar in het huwelijk te treden. Een portret van Petrus Josephus heb ik (nog) niet kunnen vinden. Wel een paspoort aan hem verstrekt, zodat we ongeveer weten hoe hij eruit moet hebben gezien: "09-01-
1812 Pierre Asselberghs, Boutiquier a Berg op Zoom, âge de 39 ans, taille 166, cheveux châtains, front ordinaire, sourcils châtains, yeux grisâtres, nez aquilon, bouche moyenne, menton rond, visag
e ovale, teint peu coloré". Het echtpaar Asselbergs-van Egeraat gaat wonen in het pand "De Kleine Molensteen" wijk 1 no. 128 (nu Potterstraat nr. 16) waar Petrus Josephus al eerder een huis bezat. Hu
n eerste drie kinderen worden er geboren. Op 13 februari 1809 koopt hij het ernaast gelegen pand "De Konijnsberg" wijk 1 no. 127 (nu Potterstraat nr. 18) van Dina Borrie, weduwe van Jacob Schiebeler D
e koopsom bedraagt 900 gulden. Hij start er een handel in kruidenierswaren en aanverwante zaken. Dit echtpaar zag hun huwelijk gezegend met elf kinderen en legdedaarmee de basis voor een wijdvertakte
Bergse familie van de Asselbergsen. Dat hij zich buiten zijn winkel ook met andere zaken bezig hield moge blijken uit het volgende: In het voorjaar van 1814 deden de Engelse troepen, onder leiding van
generaal Graham, een aanval op Bergen op Zoom om deze te bevrijden van de Franse overheersing. We mogen aannemen, dat ook de watermolen gelegen aan de Bergen op Zoomse haven hierbij schade opliep gez
ien het volgende contract: "Wij ondergetekenden: P. Asschenberg en Jan Smits, molenaars, wonend te Bergen op Zoom, verklaren ter requisitie en op verzoek van P. Mouw, molenaar der Water Korenmolen, da
t met den watermolen binnen 24 uur kan gemalen worden: 80 à 100 zak graan, dat de molenaar... van maalloon geniet..... zak tarwe 10 stuivers en 6 duiten,... zak rogge 71/2 stuiver alsmede 2 pond stui
fmeel per zak". Was getekend: P. Asselberghs en J. Smits De eisch van P. Mouw ad. 1725,00 gulden wegens schade der troebelen 1814 We zien hier, dat Petrus Josephus Asselbergs, eigenaar P. Mouw komt he
lpen de watermolen te repareren. De kennis om molens te repareren had Petrus Josephus waarschijnlijk van huis uit meegekregen. In het bevolkingsregister van Bergen op Zoom 1850-1860 staan voor het pan
d Potterstraat wijk J nummer 127 de volgende bewoners vermeldt: Petronella van Egeraat, Cornelis Asselbergs, Petronella Cornelia Asselbergs en Johanna Elisabeth Oudens (een nichtje van Cornelis en Pet
ronella Cornelia Asselbergs). | Asselbergs, Petrus Josephus (I9586)
|
| 458 | Henry de Nassau, Lord Overkirk
From Wikipedia, the free encyclopedia
The future Lord Overkirk married Frances van Aerssen van Sommelsdijk (d. 1720), daughter of Cornelius, Lord of Sommeladyck & Platt, at The Hague on 2 October 1667. They had eight children, including five sons, of whom two married and left issue.
Their children included:
Countess Isabella van Nassau (bapt. 20 April 1668, d.in childbirth on 30 January 1692 at London) married 10 March 1691, Charles Granville, Lord Lansdown, later 2nd Earl of Bath (bapt. 31 August 1661, d. 4 September 1701 by suicide), widower of Lady Martha Osborne, daughter of the 1st Duke of Leeds, and son and heir of John Granville, 1st Earl of Bath. Her widower committed suicide on 4 September 1701, shortly after inheriting the peerage on 2 August 1701. He was buried with his father on 22 September 1701 at Kilkhampton. Her son William Henry Granville (30 January 1692 - 1711) became 3rd Earl of Granville, but died young aged 19 of smallpox.[1]
Lodewijk van Nassa (1669-1687)
Lucia van Nassau (1671-1673)
Henry Nassau d'Auverquerque, 1st Earl of Grantham (1673-1754) whose two sons both died in his lifetime, making his nephew Hendrik his heir as of 1730.
Cornelis van Nassau, Heer van Woudenberg (1675-1712, drowned after a battle)
Count Willem Maurits van Nassau, Heer van Ouwerkerk (1679-1753) who married his cousin Charlotte van Nassau (c. 1677-1708), and had issue one son and two daughters
Count Hendrik van Nassau, styled Viscount Boston (1710-10 October 1735) who became heir to his uncle, the 2nd Earl of Grantham, and as such was known as Viscount of Boston.[2]
Frans van Nassau (1682-1710 died in battle in Catalonia, Spain)
Lucia Anna van Nassau (1684-1744) married 11 February 1705 Nanfan Coote, 2nd Earl of Bellamont, and had issue 1 daughter, Lady Frances Coote. She, in turn, married Sir Robert Clifton, 5th Baronet, of Clifton Hall, MP (1690-1767), and had one daughter Frances Clifton (d 8 November 1786) who married George Carpenter, 3rd Baron Carpenter, later 1st Earl of Tyrconnel (1723–1762) and had many children. | van Aerssen van Sommelsdijck, Countess Françoise (I502428)
|
| 459 | Henry de Nassau, Lord Overkirk
From Wikipedia, the free encyclopedia
The future Lord Overkirk married Frances van Aerssen van Sommelsdijk (d. 1720), daughter of Cornelius, Lord of Sommeladyck & Platt, at The Hague on 2 October 1667. They had eight children, including five sons, of whom two married and left issue.
Their children included:
Countess Isabella van Nassau (bapt. 20 April 1668, d.in childbirth on 30 January 1692 at London) married 10 March 1691, Charles Granville, Lord Lansdown, later 2nd Earl of Bath (bapt. 31 August 1661, d. 4 September 1701 by suicide), widower of Lady Martha Osborne, daughter of the 1st Duke of Leeds, and son and heir of John Granville, 1st Earl of Bath. Her widower committed suicide on 4 September 1701, shortly after inheriting the peerage on 2 August 1701. He was buried with his father on 22 September 1701 at Kilkhampton. Her son William Henry Granville (30 January 1692 - 1711) became 3rd Earl of Granville, but died young aged 19 of smallpox.[1]
Lodewijk van Nassa (1669-1687)
Lucia van Nassau (1671-1673)
Henry Nassau d'Auverquerque, 1st Earl of Grantham (1673-1754) whose two sons both died in his lifetime, making his nephew Hendrik his heir as of 1730.
Cornelis van Nassau, Heer van Woudenberg (1675-1712, drowned after a battle)
Count Willem Maurits van Nassau, Heer van Ouwerkerk (1679-1753) who married his cousin Charlotte van Nassau (c. 1677-1708), and had issue one son and two daughters
Count Hendrik van Nassau, styled Viscount Boston (1710-10 October 1735) who became heir to his uncle, the 2nd Earl of Grantham, and as such was known as Viscount of Boston.[2]
Frans van Nassau (1682-1710 died in battle in Catalonia, Spain)
Lucia Anna van Nassau (1684-1744) married 11 February 1705 Nanfan Coote, 2nd Earl of Bellamont, and had issue 1 daughter, Lady Frances Coote. She, in turn, married Sir Robert Clifton, 5th Baronet, of Clifton Hall, MP (1690-1767), and had one daughter Frances Clifton (d 8 November 1786) who married George Carpenter, 3rd Baron Carpenter, later 1st Earl of Tyrconnel (1723–1762) and had many children. | van Aerssen Van Sommelsdijck, Countess Françoise (I9032)
|
| 460 | Henry de Nassau, Lord Overkirk
From Wikipedia, the free encyclopedia
The future Lord Overkirk married Frances van Aerssen van Sommelsdijk (d. 1720), daughter of Cornelius, Lord of Sommeladyck & Platt, at The Hague on 2 October 1667. They had eight children, including five sons, of whom two married and left issue.
Their children included:
Countess Isabella van Nassau (bapt. 20 April 1668, d.in childbirth on 30 January 1692 at London) married 10 March 1691, Charles Granville, Lord Lansdown, later 2nd Earl of Bath (bapt. 31 August 1661, d. 4 September 1701 by suicide), widower of Lady Martha Osborne, daughter of the 1st Duke of Leeds, and son and heir of John Granville, 1st Earl of Bath. Her widower committed suicide on 4 September 1701, shortly after inheriting the peerage on 2 August 1701. He was buried with his father on 22 September 1701 at Kilkhampton. Her son William Henry Granville (30 January 1692 - 1711) became 3rd Earl of Granville, but died young aged 19 of smallpox.[1]
Lodewijk van Nassa (1669-1687)
Lucia van Nassau (1671-1673)
Henry Nassau d'Auverquerque, 1st Earl of Grantham (1673-1754) whose two sons both died in his lifetime, making his nephew Hendrik his heir as of 1730.
Cornelis van Nassau, Heer van Woudenberg (1675-1712, drowned after a battle)
Count Willem Maurits van Nassau, Heer van Ouwerkerk (1679-1753) who married his cousin Charlotte van Nassau (c. 1677-1708), and had issue one son and two daughters
Count Hendrik van Nassau, styled Viscount Boston (1710-10 October 1735) who became heir to his uncle, the 2nd Earl of Grantham, and as such was known as Viscount of Boston.[2]
Frans van Nassau (1682-1710 died in battle in Catalonia, Spain)
Lucia Anna van Nassau (1684-1744) married 11 February 1705 Nanfan Coote, 2nd Earl of Bellamont, and had issue 1 daughter, Lady Frances Coote. She, in turn, married Sir Robert Clifton, 5th Baronet, of Clifton Hall, MP (1690-1767), and had one daughter Frances Clifton (d 8 November 1786) who married George Carpenter, 3rd Baron Carpenter, later 1st Earl of Tyrconnel (1723–1762) and had many children. | van Aerssen Van Sommelsdijck, Countess Françoise (I9032)
|
| 461 | http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/AerssenAnna
Aanhangster van Jean de Labadie. In 1675 vestigden de Labadisten zich in Wieuwerd (Friesland) waar de moeder van Anna het slot Walta bezat.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean_de_Labadie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Labadisten | van Aerssen, Anna van Sommelsdijk, vrouwe van Spijk (I502427)
|
| 462 | http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/AerssenAnna
Aanhangster van Jean de Labadie. In 1675 vestigden de Labadisten zich in Wieuwerd (Friesland) waar de moeder van Anna het slot Walta bezat.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean_de_Labadie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Labadisten | van Aerssen Van Sommelsdijk, Vrouwe Van Spijk Anna vrouwe van Spijk (I9031)
|
| 463 | http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/AerssenAnna
Aanhangster van Jean de Labadie. In 1675 vestigden de Labadisten zich in Wieuwerd (Friesland) waar de moeder van Anna het slot Walta bezat.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean_de_Labadie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Labadisten | van Aerssen Van Sommelsdijk, Vrouwe Van Spijk Anna vrouwe van Spijk (I9031)
|
| 464 | Andreas Victor Asselberghs, vernoemd naar de patroonheilige van de molenaars, was volgens zijn huwelijksakte dagloner van beroep en woonde te Well, Limburg. Het echtpaar Asselberghs-Hoogen ziet hun huwelijk gezegend met vijf kinderen waarvan drie zonen de basis leggen voor de Limburgse tak van de familie Asselberg(h)s. Enkele nazaten van dit gezin voeren nog steeds de originele naam met h. DE LOOBEEKMOLEN (zie foto) Venrays oudste watermolen verdween in 1918. Van de drie watermolens die Venray binnen zijn grenzen heeft gehad, te weten de Rosmolen, de watermolen te Oostrum en de Loobeekmolen te Smakt, is de laatstgenoemde zonder enige twijfel de oudste geweest. Watermolens, uitgevonden door de Romeinen, zijn in Nederland doorgedrongen in de tijd van Karel de Grote (768-814). Eerst veel later, namelijk in de 13e eeuw, deed de windmolen, een uitvinding die de kruisvaarders uit de Oriënt meebrachten, zijn intrede in ons land. Hoewel het directe bewijs niet voorhanden is, l ijkt de veronderstelling gerechtvaardigd, dat de Loobeekmolen tot is gekomen, voordat er in Venray een windmolen werd gebouwd. De eerste vermelding over de Loobeekmolen is te vinden in een rekening va n 1347/1348 in het Hertogelijk archief van Gelre. Dit is niet zo verwonderlijk omdat Venray, zeker al vanaf 1220, deel uitmaakte van het graafschap Gelre, dat in 1339 een hertogdom werd. Volgens genoe mde rekening ontving de Hertog van Gelre, die de heerlijke rechten (waaronder het maalrecht) bezat in onze streken, van de molenpachter een jaarlijkse opbrengst van twee malder rogge volgens Venrayse maat (een malder was een in die tijd gebruikte inhoudsmaat) Het volgende bericht over de molen, gedateerd 1 juli 1564, afkomstig uit het archief van de Gelderse Rekenkamer, betreft een overeenkomst, o pgemaakt voor de schepenen van Venray, waarbij Johan Engelkens de erfpacht van de molen overdraagt aan Jacob Groenen en Anthoni Bruyns. In 1698 blijkt de molen in leen te zijn bij Johan Albert Bouwens van der Boye, de Heer van Venray, die woonachtig was op het kasteel Macken te Holthees. Door vererving van de Heerlijkheid Venray kwam de molen achtereenvolgens in leen van baron d' Overschie de Neer rijsche, vrijheer Christiaan van Hugenpoth, Anna Henriëtte Philippia baronesse van Wassenaar en de laatste Heer van Venray: Jan François van Eck. Erfpachter Asselberghs In 1817 gaf Jan François van Eck de koren-, looi- en oliemolen voor tachtig eerstkomende en achtereenvolgende jaren in erfpacht aan de molenaar Andreas Voctor Asselberghs. In een akte, die op 22 maart 1817 werd opg emaakt door notaris Kannegiesser te Horst, werd bepaald dat de erfpacht van de molen, de bouwhof met schuur, schop, bakhuis en de daarbij behorende bouw- en weilanden (14 morgen) zou ingaan met Pasen 1818 en dat de jaarlijkse pachtsom twee honderd vijf en zeventig gulden Hollands of vijfhonderd guldens Cleefs zou bedragen. De erfpachter kreeg ook het recht de molen te herbouwen, waarbij hij zonder vergoeding gebruik mocht maken van het afval van de oude molen en de bomen staande vóór de bouwhof, op het molenveld en in de weiden. Ook werd nog in de akte vermeld, dat de erfpachter verplicht wa s jaarlijks één malder rogge te voldoen aan het officie van St. Nicolaas (Grote Kerk). Andreas Victor, afkomstig uit een Kempisch maaldersgeslacht, was op 5 december 1774 te Loenhout (België) gebor en. Kort na 1800 vestigde hij zich vanuit Loenhout te Wanssum waar hij als pachter het molenaarsbedrijf uitoefende op de aldaar, aan de Molenbeek gelegen watermolen, tot hij in 1818 naar de Loobeekmol en verhuisde. Volgens een overzicht uit 1882 van molens in Venray, bezat de Loobeekmolen twee paar molenstenen, waarvan er één voor rogge en de ander voor het malen van tarwe en boekweit werd gebrui kt. Ook blijkt daaruit dat de molen een afzonderlijk rad had voor de olieslagerij. De pachtsom bedroeg jaarlijks, inclusief de boerderij f 275,-. Verkoop molen In 1825 werd de molen door de erfgenamen van Jan François van Eck verkocht. De openbare verkoop vond plaats op 17 januari 1825 ten huize van de weduwe Albertus van den Boogaart in de Patersstraat (nu apotheek De Monnikskap). In de akte die door notaris Pingen te Venray werd opgemaakt wordt als koper genoemd Peter Minten, koopman te Venray, voor de som van f 4.500,-. In de akte was de bepaling opgenomen, dat de nieuwe eige naar zich diende te houden aan de overeenkomst van erfpacht die in 1817 was aangegaan met Andreas Victor Asselberghs. Na het overlijden van Peter Minten op 17 december 1838, kwam de molen met bouwhof in handen van de Venrayse apotheker Albert Esser, een zoon uit het huwelijk van Peter Conradus Esser en Maria Petronella Minten. In 1840 voerde de gemeente Venray een briefwisseling over de Loobeekmol en met de provinciale overheid te Maastricht. Hieruit blijkt dat de molen in het verleden niet uitsluitend voor Smakt, dat slechts negen huizen telde, maar ook voor Holthees, Maashees en Overloon gema len heeft. De burgemeester was van mening, dat het voor het voortbestaan van de molen absoluut noodzakelijk was, dat de vergunning gehandhaafd bleef, om ook voor de Brabantse dorpen te mogen malen. Plaatsing stoomachine Na het overlijden van Andreas Victor Asselberghs op 17 januari 1853 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Jacob Asselberghs, die op 19 december 1811 te Wanss um was geboren. Jan Jacob moet wel een man met durf en initiatief zijn geweest, want op 16 december 1857 vroeg hij aan Koning Willem III vergunning tot het plaatsen van een stoommachine van zes paarde nkrachten. Hij was daarmee de eerste molenaar in Venray die gebruik ging maken van de uitvinding van de Engelsman James Watt. De allereerste stoommachine in Noord-Limburg werd in gebruik genomen door de Horster molenaar Buijssen. Jan Jacob werd hij als pachter weer opgevolgd door zijn zoons Eduard Joseph Marie en Frans Joseph Hubert. Na vertrek van zijn broer Eduard dreef Frans de zaak geheel voor eigen rekening. In 1916 kocht Frans Asselberghs de watermolen met bouwhof van Theodora Josephina Esser, een dochter van de in 1868 overleden apotheker Albert Esser. Zijn eigendom was, althans voor wa t de watermolen betreft, maar van zeer korte duur, want in 1918 was voor de molen het einde aangebroken. Omdat de grillige Loobeek, stroomlengte 11,7 km., in de winter veel weilanden langs de beek ond er water zette en dit proces nog versterkt werd door opstuwing bij de watermolen, besloot de overheid de beek te kanaliseren en het stuwrecht af te kopen. De kosten van afkoop bedroegen f 6500,-. Rijk en provincie droegen hierin ieder voor 25% bij. Het aandeel van de gemeente en de eigenaar bedroeg eveneens 25%. Daarop werden in december 1917 de stuwen (sluiswerken) opgeruimd, gevolgd door het wat errad in februari 1918 Daarmee was er een einde gekomen aan de activiteiten van de familie Asselberghs als molenaars te Venray na een pacht van bijna honderd jaar en twee jaar in eigendom en dit over drie generaties. In 1922 lieten de erfgenamen Asselberghs hun bezittingen op Loobeek veilen. De nieuwe eigenaren werden Maria Agnes Petronella Asselbergs en haar zuster Maria Josephina Asselbergs. In 1926 werd het molengebouw gesloopt en op de vrijgekomen grond werd een schuur gebouwd, die in 1931 tot boerderij werd verbouwd. Sources: - personne: Artikel 'De Loobeekmolen': W. Willemse n, Peel en Maas d.d. 29 januari 1982 - décès: G.A. Venray akte: 8 d.d. 17-01-1853 - mariage: G.A. Meerlo-Wanssum akte: 4 | Asselberghs, Andreas Victor (I502075)
|
| 465 | Andreas Victor Asselberghs, vernoemd naar de patroonheilige van de molenaars, was volgens zijn huwelijksakte dagloner van beroep en woonde te Well, Limburg. Het echtpaar Asselberghs-Hoogen ziet hun huwelijk gezegend met vijf kinderen waarvan drie zonen de basis leggen voor de Limburgse tak van de familie Asselberg(h)s. Enkele nazaten van dit gezin voeren nog steeds de originele naam met h. DE LOOBEEKMOLEN (zie foto) Venrays oudste watermolen verdween in 1918. Van de drie watermolens die Venray binnen zijn grenzen heeft gehad, te weten de Rosmolen, de watermolen te Oostrum en de Loobeekmolen te Smakt, is de laatstgenoemde zonder enige twijfel de oudste geweest. Watermolens, uitgevonden door de Romeinen, zijn in Nederland doorgedrongen in de tijd van Karel de Grote (768-814). Eerst veel later, namelijk in de 13e eeuw, deed de windmolen, een uitvinding die de kruisvaarders uit de Oriënt meebrachten, zijn intrede in ons land. Hoewel het directe bewijs niet voorhanden is, l ijkt de veronderstelling gerechtvaardigd, dat de Loobeekmolen tot is gekomen, voordat er in Venray een windmolen werd gebouwd. De eerste vermelding over de Loobeekmolen is te vinden in een rekening va n 1347/1348 in het Hertogelijk archief van Gelre. Dit is niet zo verwonderlijk omdat Venray, zeker al vanaf 1220, deel uitmaakte van het graafschap Gelre, dat in 1339 een hertogdom werd. Volgens genoe mde rekening ontving de Hertog van Gelre, die de heerlijke rechten (waaronder het maalrecht) bezat in onze streken, van de molenpachter een jaarlijkse opbrengst van twee malder rogge volgens Venrayse maat (een malder was een in die tijd gebruikte inhoudsmaat) Het volgende bericht over de molen, gedateerd 1 juli 1564, afkomstig uit het archief van de Gelderse Rekenkamer, betreft een overeenkomst, o pgemaakt voor de schepenen van Venray, waarbij Johan Engelkens de erfpacht van de molen overdraagt aan Jacob Groenen en Anthoni Bruyns. In 1698 blijkt de molen in leen te zijn bij Johan Albert Bouwens van der Boye, de Heer van Venray, die woonachtig was op het kasteel Macken te Holthees. Door vererving van de Heerlijkheid Venray kwam de molen achtereenvolgens in leen van baron d' Overschie de Neer rijsche, vrijheer Christiaan van Hugenpoth, Anna Henriëtte Philippia baronesse van Wassenaar en de laatste Heer van Venray: Jan François van Eck. Erfpachter Asselberghs In 1817 gaf Jan François van Eck de koren-, looi- en oliemolen voor tachtig eerstkomende en achtereenvolgende jaren in erfpacht aan de molenaar Andreas Voctor Asselberghs. In een akte, die op 22 maart 1817 werd opg emaakt door notaris Kannegiesser te Horst, werd bepaald dat de erfpacht van de molen, de bouwhof met schuur, schop, bakhuis en de daarbij behorende bouw- en weilanden (14 morgen) zou ingaan met Pasen 1818 en dat de jaarlijkse pachtsom twee honderd vijf en zeventig gulden Hollands of vijfhonderd guldens Cleefs zou bedragen. De erfpachter kreeg ook het recht de molen te herbouwen, waarbij hij zonder vergoeding gebruik mocht maken van het afval van de oude molen en de bomen staande vóór de bouwhof, op het molenveld en in de weiden. Ook werd nog in de akte vermeld, dat de erfpachter verplicht wa s jaarlijks één malder rogge te voldoen aan het officie van St. Nicolaas (Grote Kerk). Andreas Victor, afkomstig uit een Kempisch maaldersgeslacht, was op 5 december 1774 te Loenhout (België) gebor en. Kort na 1800 vestigde hij zich vanuit Loenhout te Wanssum waar hij als pachter het molenaarsbedrijf uitoefende op de aldaar, aan de Molenbeek gelegen watermolen, tot hij in 1818 naar de Loobeekmol en verhuisde. Volgens een overzicht uit 1882 van molens in Venray, bezat de Loobeekmolen twee paar molenstenen, waarvan er één voor rogge en de ander voor het malen van tarwe en boekweit werd gebrui kt. Ook blijkt daaruit dat de molen een afzonderlijk rad had voor de olieslagerij. De pachtsom bedroeg jaarlijks, inclusief de boerderij f 275,-. Verkoop molen In 1825 werd de molen door de erfgenamen van Jan François van Eck verkocht. De openbare verkoop vond plaats op 17 januari 1825 ten huize van de weduwe Albertus van den Boogaart in de Patersstraat (nu apotheek De Monnikskap). In de akte die door notaris Pingen te Venray werd opgemaakt wordt als koper genoemd Peter Minten, koopman te Venray, voor de som van f 4.500,-. In de akte was de bepaling opgenomen, dat de nieuwe eige naar zich diende te houden aan de overeenkomst van erfpacht die in 1817 was aangegaan met Andreas Victor Asselberghs. Na het overlijden van Peter Minten op 17 december 1838, kwam de molen met bouwhof in handen van de Venrayse apotheker Albert Esser, een zoon uit het huwelijk van Peter Conradus Esser en Maria Petronella Minten. In 1840 voerde de gemeente Venray een briefwisseling over de Loobeekmol en met de provinciale overheid te Maastricht. Hieruit blijkt dat de molen in het verleden niet uitsluitend voor Smakt, dat slechts negen huizen telde, maar ook voor Holthees, Maashees en Overloon gema len heeft. De burgemeester was van mening, dat het voor het voortbestaan van de molen absoluut noodzakelijk was, dat de vergunning gehandhaafd bleef, om ook voor de Brabantse dorpen te mogen malen. Plaatsing stoomachine Na het overlijden van Andreas Victor Asselberghs op 17 januari 1853 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Jacob Asselberghs, die op 19 december 1811 te Wanss um was geboren. Jan Jacob moet wel een man met durf en initiatief zijn geweest, want op 16 december 1857 vroeg hij aan Koning Willem III vergunning tot het plaatsen van een stoommachine van zes paarde nkrachten. Hij was daarmee de eerste molenaar in Venray die gebruik ging maken van de uitvinding van de Engelsman James Watt. De allereerste stoommachine in Noord-Limburg werd in gebruik genomen door de Horster molenaar Buijssen. Jan Jacob werd hij als pachter weer opgevolgd door zijn zoons Eduard Joseph Marie en Frans Joseph Hubert. Na vertrek van zijn broer Eduard dreef Frans de zaak geheel voor eigen rekening. In 1916 kocht Frans Asselberghs de watermolen met bouwhof van Theodora Josephina Esser, een dochter van de in 1868 overleden apotheker Albert Esser. Zijn eigendom was, althans voor wa t de watermolen betreft, maar van zeer korte duur, want in 1918 was voor de molen het einde aangebroken. Omdat de grillige Loobeek, stroomlengte 11,7 km., in de winter veel weilanden langs de beek ond er water zette en dit proces nog versterkt werd door opstuwing bij de watermolen, besloot de overheid de beek te kanaliseren en het stuwrecht af te kopen. De kosten van afkoop bedroegen f 6500,-. Rijk en provincie droegen hierin ieder voor 25% bij. Het aandeel van de gemeente en de eigenaar bedroeg eveneens 25%. Daarop werden in december 1917 de stuwen (sluiswerken) opgeruimd, gevolgd door het wat errad in februari 1918 Daarmee was er een einde gekomen aan de activiteiten van de familie Asselberghs als molenaars te Venray na een pacht van bijna honderd jaar en twee jaar in eigendom en dit over drie generaties. In 1922 lieten de erfgenamen Asselberghs hun bezittingen op Loobeek veilen. De nieuwe eigenaren werden Maria Agnes Petronella Asselbergs en haar zuster Maria Josephina Asselbergs. In 1926 werd het molengebouw gesloopt en op de vrijgekomen grond werd een schuur gebouwd, die in 1931 tot boerderij werd verbouwd. Sources: - personne: Artikel 'De Loobeekmolen': W. Willemse n, Peel en Maas d.d. 29 januari 1982 - décès: G.A. Venray akte: 8 d.d. 17-01-1853 - mariage: G.A. Meerlo-Wanssum akte: 4 | Asselberghs, Andreas Victor (I8806)
|
| 466 | Andreas Victor Asselberghs, vernoemd naar de patroonheilige van de molenaars, was volgens zijn huwelijksakte dagloner van beroep en woonde te Well, Limburg. Het echtpaar Asselberghs-Hoogen ziet hun huwelijk gezegend met vijf kinderen waarvan drie zonen de basis leggen voor de Limburgse tak van de familie Asselberg(h)s. Enkele nazaten van dit gezin voeren nog steeds de originele naam met h. DE LOOBEEKMOLEN (zie foto) Venrays oudste watermolen verdween in 1918. Van de drie watermolens die Venray binnen zijn grenzen heeft gehad, te weten de Rosmolen, de watermolen te Oostrum en de Loobeekmolen te Smakt, is de laatstgenoemde zonder enige twijfel de oudste geweest. Watermolens, uitgevonden door de Romeinen, zijn in Nederland doorgedrongen in de tijd van Karel de Grote (768-814). Eerst veel later, namelijk in de 13e eeuw, deed de windmolen, een uitvinding die de kruisvaarders uit de Oriënt meebrachten, zijn intrede in ons land. Hoewel het directe bewijs niet voorhanden is, l ijkt de veronderstelling gerechtvaardigd, dat de Loobeekmolen tot is gekomen, voordat er in Venray een windmolen werd gebouwd. De eerste vermelding over de Loobeekmolen is te vinden in een rekening va n 1347/1348 in het Hertogelijk archief van Gelre. Dit is niet zo verwonderlijk omdat Venray, zeker al vanaf 1220, deel uitmaakte van het graafschap Gelre, dat in 1339 een hertogdom werd. Volgens genoe mde rekening ontving de Hertog van Gelre, die de heerlijke rechten (waaronder het maalrecht) bezat in onze streken, van de molenpachter een jaarlijkse opbrengst van twee malder rogge volgens Venrayse maat (een malder was een in die tijd gebruikte inhoudsmaat) Het volgende bericht over de molen, gedateerd 1 juli 1564, afkomstig uit het archief van de Gelderse Rekenkamer, betreft een overeenkomst, o pgemaakt voor de schepenen van Venray, waarbij Johan Engelkens de erfpacht van de molen overdraagt aan Jacob Groenen en Anthoni Bruyns. In 1698 blijkt de molen in leen te zijn bij Johan Albert Bouwens van der Boye, de Heer van Venray, die woonachtig was op het kasteel Macken te Holthees. Door vererving van de Heerlijkheid Venray kwam de molen achtereenvolgens in leen van baron d' Overschie de Neer rijsche, vrijheer Christiaan van Hugenpoth, Anna Henriëtte Philippia baronesse van Wassenaar en de laatste Heer van Venray: Jan François van Eck. Erfpachter Asselberghs In 1817 gaf Jan François van Eck de koren-, looi- en oliemolen voor tachtig eerstkomende en achtereenvolgende jaren in erfpacht aan de molenaar Andreas Voctor Asselberghs. In een akte, die op 22 maart 1817 werd opg emaakt door notaris Kannegiesser te Horst, werd bepaald dat de erfpacht van de molen, de bouwhof met schuur, schop, bakhuis en de daarbij behorende bouw- en weilanden (14 morgen) zou ingaan met Pasen 1818 en dat de jaarlijkse pachtsom twee honderd vijf en zeventig gulden Hollands of vijfhonderd guldens Cleefs zou bedragen. De erfpachter kreeg ook het recht de molen te herbouwen, waarbij hij zonder vergoeding gebruik mocht maken van het afval van de oude molen en de bomen staande vóór de bouwhof, op het molenveld en in de weiden. Ook werd nog in de akte vermeld, dat de erfpachter verplicht wa s jaarlijks één malder rogge te voldoen aan het officie van St. Nicolaas (Grote Kerk). Andreas Victor, afkomstig uit een Kempisch maaldersgeslacht, was op 5 december 1774 te Loenhout (België) gebor en. Kort na 1800 vestigde hij zich vanuit Loenhout te Wanssum waar hij als pachter het molenaarsbedrijf uitoefende op de aldaar, aan de Molenbeek gelegen watermolen, tot hij in 1818 naar de Loobeekmol en verhuisde. Volgens een overzicht uit 1882 van molens in Venray, bezat de Loobeekmolen twee paar molenstenen, waarvan er één voor rogge en de ander voor het malen van tarwe en boekweit werd gebrui kt. Ook blijkt daaruit dat de molen een afzonderlijk rad had voor de olieslagerij. De pachtsom bedroeg jaarlijks, inclusief de boerderij f 275,-. Verkoop molen In 1825 werd de molen door de erfgenamen van Jan François van Eck verkocht. De openbare verkoop vond plaats op 17 januari 1825 ten huize van de weduwe Albertus van den Boogaart in de Patersstraat (nu apotheek De Monnikskap). In de akte die door notaris Pingen te Venray werd opgemaakt wordt als koper genoemd Peter Minten, koopman te Venray, voor de som van f 4.500,-. In de akte was de bepaling opgenomen, dat de nieuwe eige naar zich diende te houden aan de overeenkomst van erfpacht die in 1817 was aangegaan met Andreas Victor Asselberghs. Na het overlijden van Peter Minten op 17 december 1838, kwam de molen met bouwhof in handen van de Venrayse apotheker Albert Esser, een zoon uit het huwelijk van Peter Conradus Esser en Maria Petronella Minten. In 1840 voerde de gemeente Venray een briefwisseling over de Loobeekmol en met de provinciale overheid te Maastricht. Hieruit blijkt dat de molen in het verleden niet uitsluitend voor Smakt, dat slechts negen huizen telde, maar ook voor Holthees, Maashees en Overloon gema len heeft. De burgemeester was van mening, dat het voor het voortbestaan van de molen absoluut noodzakelijk was, dat de vergunning gehandhaafd bleef, om ook voor de Brabantse dorpen te mogen malen. Plaatsing stoomachine Na het overlijden van Andreas Victor Asselberghs op 17 januari 1853 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Jacob Asselberghs, die op 19 december 1811 te Wanss um was geboren. Jan Jacob moet wel een man met durf en initiatief zijn geweest, want op 16 december 1857 vroeg hij aan Koning Willem III vergunning tot het plaatsen van een stoommachine van zes paarde nkrachten. Hij was daarmee de eerste molenaar in Venray die gebruik ging maken van de uitvinding van de Engelsman James Watt. De allereerste stoommachine in Noord-Limburg werd in gebruik genomen door de Horster molenaar Buijssen. Jan Jacob werd hij als pachter weer opgevolgd door zijn zoons Eduard Joseph Marie en Frans Joseph Hubert. Na vertrek van zijn broer Eduard dreef Frans de zaak geheel voor eigen rekening. In 1916 kocht Frans Asselberghs de watermolen met bouwhof van Theodora Josephina Esser, een dochter van de in 1868 overleden apotheker Albert Esser. Zijn eigendom was, althans voor wa t de watermolen betreft, maar van zeer korte duur, want in 1918 was voor de molen het einde aangebroken. Omdat de grillige Loobeek, stroomlengte 11,7 km., in de winter veel weilanden langs de beek ond er water zette en dit proces nog versterkt werd door opstuwing bij de watermolen, besloot de overheid de beek te kanaliseren en het stuwrecht af te kopen. De kosten van afkoop bedroegen f 6500,-. Rijk en provincie droegen hierin ieder voor 25% bij. Het aandeel van de gemeente en de eigenaar bedroeg eveneens 25%. Daarop werden in december 1917 de stuwen (sluiswerken) opgeruimd, gevolgd door het wat errad in februari 1918 Daarmee was er een einde gekomen aan de activiteiten van de familie Asselberghs als molenaars te Venray na een pacht van bijna honderd jaar en twee jaar in eigendom en dit over drie generaties. In 1922 lieten de erfgenamen Asselberghs hun bezittingen op Loobeek veilen. De nieuwe eigenaren werden Maria Agnes Petronella Asselbergs en haar zuster Maria Josephina Asselbergs. In 1926 werd het molengebouw gesloopt en op de vrijgekomen grond werd een schuur gebouwd, die in 1931 tot boerderij werd verbouwd. Sources: - personne: Artikel 'De Loobeekmolen': W. Willemse n, Peel en Maas d.d. 29 januari 1982 - décès: G.A. Venray akte: 8 d.d. 17-01-1853 - mariage: G.A. Meerlo-Wanssum akte: 4 | Asselberghs, Andreas Victor (I8806)
|
| 467 | Antone Reynaert | REYNAERT, Antonius (I501053)
|
| 468 | Antone Reynaert | Reynaert, Antonius (I8026)
|
| 469 | Antone Reynaert | Reynaert, Antonius (I8026)
|
| 470 | De Gouden Boom verder zonder Paul Vanneste Palm zet stichter van brouwerij aan de deur woensdag 28 augustus 2002 Auteur: Nieuwsblad.be   BRUGGE - Paul Vanneste (57) is vanaf eind deze week niet langer het Brugse boegbeeld van brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat. Vrijdag begint hij er aan zijn laatste werkdag. Brouwerij Palm, die op 16 november 2001 een meerderheidsbelang van 93 procent in De Gouden Boom verwierf, besloot de zaak zonder Paul Vanneste te runnen. Deze laatste mag er wel nog blijven wonen.   Ook de vzw Brugs Brouwerij- en Mouterijmuseum, waarvan Paul voorzitter is, blijft in de brouwerij gevestigd. ,,We willen de continuïteit waarborgen en willen het museum daarom uitbouwen en ook investeren in een meer hedendaagse infrastructuur'', laat public relationsmanager Peter Buelens weten.   Buelens vindt het ook vanzelfsprekend dat de productie van edele bieren zoals Brugse Tripel op de huidige site blijft. ,,We hebben De Gouden Boom overgenomen omdat deze brouwerij model staat voor stadsbieren. Stadsbieren zijn enkel die naam waardig als ze in de stad worden gebrouwen. Dus wordt er voort in Brugge gebrouwen. De productie zal daarbij worden gestuurd vanuit Roeselare. Onze commerciële knowhow moet een stimulans zijn om de bieren van De Gouden Boom nog breder af te zetten.''   ,,Dit betekent het einde van de familie Vanneste op deze site. Mijn overgrootvader Jules is er in het najaar van 1872 gekomen. Zelf kwam ik op 1 oktober 1970 in de brouwerij, die toen nog 't Hamerken heette. Op 6 oktober 1983 heb ik er De Gouden Boom gesticht. Na 130 jaar verlaat ik nu als laatste Vanneste de brouwerij'', mijmert Paul.   ,,Wat ik nu zal doen? Het is nog wat te vroeg om met pensioen te gaan. Ik zoek iets anders. Mogelijk blijf ik nog in de brouwerijsector actief'', luidt het nog. | VANNESTE, Jules Judocus (I501049)
|
| 471 | De Gouden Boom In 1983 stichtte Paul Vanneste (achterkleinzoon van de stichter) er in samenwerking met Brouwerij Frank Boon uit Lembeek de nieuwe brouwerij De Gouden Boom. Men brouwde er enkel hoge-gistingsbieren. De rij werd geopend door het Brugs Tarwebier. Brugs Tarwebier was van het begin af een succes, want het vulde in de jaren 1980 een gat in de markt van de witbieren, die toen alleen nog door Brouwerij De Kluis in Hoegaarden werden gebrouwen. De traditie van het patersbier van Steenbrugge werd ook hervat. De dubbele bruine kreeg zelfs het gezelschap van een blonde tripel. Sint Arnoldus, patroon der brouwers en stichter van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en Steenbrugge, siert de etiketten van dit Brugse abdijbier. In 1987 werd de Brugse Tripel de volgende aanwinst van De Gouden Boom. Deze Brugse Tripel was heel wat voller en steviger dan zijn voorganger bij 't Hamerken. Het werd tevens een blond bier. Vanaf 1993 gingen de brouwerijen Rodenbach en De Gouden Boom nauwer samenwerken.   In 2003 werd Brouwerij De Gouden Boom volledig overgenomen door Brouwerij Palm, die zich sindsdien Palm Breweries noemt. In 2004 werd de bierproductie in Brugge overgeheveld naar de Palm-brouwerij in Steenhuffel. Het Brouwerijmuseum, dat zich sinds 1990 in de mouterijgebouwen bevond, diende in 2005 te verhuizen naar Brouwerij De Halve Maan aan het Walplein. Brouwerij Palm verkocht in 2006 de gebouwen van Brouwerij De Gouden Boom in de Langestraat in Brugge aan een projectontwikkelingsbedrijf. Een deel van de voormalige brouwerij- en mouterij-installaties werd in 2006 echter als industrieel erfgoed beschermd. De rest van de gebouwen maakte plaats voor een nieuwbouwproject met appartementen, winkels en een museumcafé. Het beschermde mouterijgebouw en de gerestaureerde woning met trapgevel uit de 17de eeuw aan de Langestraat zijn geïntegreerd in het nieuwbouwproject. Vanuit het museumcafé zijn de beschermde installaties te bezichtigen | VANNESTE, Jules Judocus (I501049)
|
| 472 | Dit echtpaar kreeg 9 kinderen Voor details zie: http://www.debrabandere.eu/html/d0071/g0000099.html#I2578 | VANNESTE, Isabella (I501037)
|
| 473 | Dit echtpaar kreeg 9 kinderen Voor details zie: http://www.debrabandere.eu/html/d0071/g0000099.html#I2578 | van Neste, Isabelle (I7966)
|
| 474 | Dit echtpaar kreeg 9 kinderen Voor details zie: http://www.debrabandere.eu/html/d0071/g0000099.html#I2578 | van Neste, Isabelle (I7966)
|
| 475 | Een boer uit Oostkamp Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw lieten veel boeren de stiel voor wat hij was wegens te hard werken voor te weinig geld. Nogal wat zetten de stap naar de brouwerijwereld. Ze kenden alvast de grondstoffen. Uit enkele documenten blijkt zelfs dat een aantal boeren hun landbouwerstaken in de rustiger wintermaanden combineerden met bier brouwen. Ook de familie Vanneste volgde dit traject. In Oostkamp woonde een zekere Franciscus Vanneste, landbouwer op de hoeve Lievestede. Hij was er ook Schepen tot aan z’n dood. Samen met z’n vrouw had hij acht kinderen; vijf jongens en drie meisjes. Slechts één van de jongens ging in de landbouw. Alle anderen gingen aan het brouwen. Desiré Vanneste vestigde zich op het Walplein: brouwerij Brugge Zeehaven, gelegen naast de huidige brouwerij De Halve Mane, waarmee het later samenging door het huwelijk van dochter Clémence Vanneste met Henri Maes II . Daar is de, zij het verre, verwantschap tussen beide brouwersfamilies ontstaan. Andere zoon August kocht brouwerij De Drie Monniken in de Molenmeers. Z’n jongere broer Jules kocht een zogenaamde landbouwstokerij in de buurt en de jongste zoon Philogène werd brouwer in Oostkamp. Bron: http://www.dezwinkrant.be/uploads/artikels/COMMEERE_dec09-LR.pdf | VANNESTE, Franciscus Joannes ( Frans) (I501032)
|
| 476 | Eigenaars 't HAMERKEN 1580 : de naam 't Hamerken komt de eerste keer voor als landelijk huis (St.-Jans Sestendeel fol 1027) Het huis staat bekend als herberg waarvan de uitbaters vanaf 1588 in registers zijn terug te vinden. 1770 : 't Hamerken wordt omschreven als stokerij en herberg met als eigenaars: 1770 : François de Knock 1816 : Louis de Busscher-Minne voor 1850 : Joannes-Baptiste Schaeverbeke x Theresia Van Wassenhove. zijn oudste zoon volgde hem op, voor de andere zoon Charles Schaeverbeke (°20.08.1852 +16.01.1919) kocht vader de brouwerij DEN ANKER in de Wijngaardstraat. Nog een andere zoon, Leon Schaverbeke richt in 1894 de brouwerij LA MARINE op in de Wollestraat. 1850 : Joannes-Baptist Schaeverbeke-Delanote 1855 : Joannes Baptist Schaeverbeke-Coppens 1872 : JULES VANNESTE (°22.10.1835 +12.02.1909) 1906 : Cyriel Vanneste (°03.05.1861 +09.03.1925) & broers Camille & Victor 1926 : Cyriel Vanneste & kinderen 1940 : Jacques Vanneste (°24.07.1908 +27.04.1985) p.v.b.a. 'T HAMERKEN 1982 : zakelijke overeenkomst met Brouwerij Haacht die het handelfonds overneemt. Depot Haacht. de gebouwen blijven eigendom van de fam. Vanneste | VANNESTE, Jules Judocus (I501049)
|
| 477 | In deze historiek concentreren we ons op zoon Jules Vanneste, de eigenlijke stichter van de brouwerij in de Langestraat. Jules en z’n vrouw verhuisden in 1872 naar Brugge en namen hun zes kinderen mee. In Brugge kregen ze trouwens nog eens twee kinderen! In datzelfde jaar reeds kochten ze het pand in de Langestraat 45 waar toen nog een jeneverstokerij gevestigd was. Ze betaalden er welgeteld vijfenzestigduizend frank voor. Alle installaties van de stokerij waren in deze overeenkomst opgenomen. De verkoper verbond er zich ook nog toe om de herbergen in zijn eigendom te verplichten jenever af te nemen aan Jules Vanneste. Een tweetal maanden later al kwam er een hypotheek op het huis als borg voor de accijnzen voor het verkopen van jenever. Door enkele interessante erfdelen en de verkoop van landerijen in Oostkamp en Beernem konden ze investeren in de uitbreiding van de stokerij. Er werden vele jaren goede zaken gedaan met de jeneverstokerij. In 1889 werd, mede onder invloed van de drie volwassen zonen, aan uitbreiding naar bier brouwen gedacht. Het verbruik van sterke drank als jenever nam immers snel af door allerlei campagnes en maatregelen van de overheid. Men wilde het zware alcoholisme een halt toeroepen. Bier brouwen en jenever stoken heeft ook wel enige verwantschap. Beide hebben mout als grondstof en er was een stoomketel voor nodig. De beslissing was genomen: ze gingen ook bier brouwen. Op het moment van die uitbreiding waren er in Brugge al vijfentwintig bierbrouwers actief, waarvan brouwijerij Den Arend (het latere Aigle) de grootste was.   Tonnenbier en drukvaten Buiten het toen gebruikelijke bier in houten tonnen werden ook reeds, zij het in beperkte mate, ‘drukvaten’ gebruikt. Doordat het bier in tonnen blootgesteld werd aan lucht zat er weinig druk op en was het dus nogal ‘plat’. Toch is het jarenlang heel populair gebleven. De gebruiker lieten de tonnen in z’n kelder leveren en ging en ging het dan per kan uit de kelder halen voor consumptie. ‘Gebroeders - brouwers’ deden de omzet stijgen Doordat niet alleen de vader maar ook de drie zonen vol inzet in de brouwerij actief waren steeg de omzet zienderogen. In 1898 werd dan ook een nieuw mouterijgebouw opgericht. De ‘gebroeders-brouwers’ werkten in de voormiddag in de brouwerij en gingen ‘s namiddags de baan op voor het commerciële werk. ‘ S avonds, na heel wat besprekingen en ook proeven met de cafébazen, kwamen ze thuis met een pak bestellingen. Tot 1908 was er een jaarlijkse omzetstijging van tien à twintig procent. In 1904 stootte de brouwerij door tot de tweede grootste van Brugge. In die jaren werd ook beslist om de jeneverstokerij stop te zetten. Ze kregen daar toen zelf een subsidie van de Staat voor. Als er nog jenever nodig was om de klanten te bedienen werd deze aangekocht bij de ‘Nederlandse Gist en Spiritusfabriek’ (de ‘gisfabrieke’ in het Brugs).   Tweede generatie neemt het roer over. In 1905 trok oprichter Jules Vanneste zich op zeventigjarige leeftijd volledig uit de brouwerij terug. De drie zonen stichtten de vennootschap ‘Cyrille Vanneste en broeders, maatschappij onder gezamenlijk naam. Ze maakten een akkoord over de werkverdeling. De rekeningstaten werden elke week door alle drie afgetekend zodat er geen onenigheid kon ontstaan. Elk moest om beurt ’het werkvolk bewaken en bestieren’. Toen vader Jules stierf in 1909 erfden alle kinderen en de vrouw van Jules verschillende herbergen. De broers maakten als zaakvoerders duidelijke prijsafspraken met hun zusters en moeder. Moeder kreeg twee frank per verkochte bierton in haar herbergen en de zussen kregen één frank voor de verkoop in hun herbergen…De zaken gingen goed onder het bestuur van de drie broers en dus was er ook nood aan bijkomend personeel. Men werkte er al vlug met veertien man, met name één brouwer, één stoker, één kuiper en elf brouwersgasten. Het dagloon bedroeg drie frank. De werknemers kregen toen al een verzekering tegen ziekte en arbeidsongevallen en in 1911 werd er in een refter voor het personeel voorzien. Een interessant document is het ’Reglement der werklieden van de brouwerij’. Daaruit leren we dat een werkdag toen reeds begon om zes uur ’s morgens en eindigde om acht uur ’s avonds. In de diverse artikelen lezen we ondermeer dat de werklieden ’gehouden zijn malkander vriendelijk aan te spreken’ en dat op bepaalde overtredingen boetes worden toegepast van ten hoogste vijftig centiemen daags, zoals het stelen van bier of jenever, het ’kijven ofte vechten op straat of op de werkplaats‘, ‘in het graan of mout te spuwen of zich te snuiten zonder zakdoek‘…   De biersoorten In het begin van de twintigste eeuw werd vooral bier van hoge gisting in tonnen verkocht. Het werd direct aan huis geleverd en meestal in de kelder bewaard. Kort voor W.O. I waren toch al enkele cafés uitgerust met een koolzuurgasinstallatie om het bier onder druk naar de tapkraan te leiden. Een tussenvariant waren de drukvaten waarbij de uitbater via een handpomp achter de toog lucht op het vat pompte waardoor de druk op het vat steeg en het bier naar de kraan liep. Het bier dat toen in Brugge het meest gedronken werd, was het Vlaams bruin bier. Men noemde het ook wel ‘La bière du pays’. In een publiciteit werd het als volgt omschreven: “Goutez la délicieuze Brune des Flandres à fournir par la Brasserie Cyrille Vanneste & frères, Bruges Rue Longue 41”. Daarnaast werd er ook nog witbier en bierazijn verkocht.   De sterke groei voor de oorlog De broers waren verzekerd van een grote en regelmatige afname doordat ze zestig huurpanden bezaten met verplichte afname aan de brouwerij. Daarnaast waren er ook nog de leveringen aan de vrije cafés en de particulieren. Ook aan de kust waren ze actief, in Oostende en Knokke waar het toerisme sterk opkwam. Daarnaast ook in Loppem, Beerneem, Oostkamp. In de jaren ‘10 hadden ze een driehonderdtal vaste klanten. De brouwerij was dan ook op z’n tijd ver vooruit en was volledig gemechaniseerd. Bij enkele andere brouwerijen in de stad namen ze letterlijk nog de roerstok ter hand. | VANNESTE, Jules Judocus (I501049)
|
| 478 | Joannes De Herde Catharina Matthijs | De Grove, Joannes (I502195)
|
| 479 | Joannes De Herde Catharina Matthijs | de Grove, Joannes (I9719)
|
| 480 | Joannes De Herde Catharina Matthijs | de Grove, Joannes (I9719)
|
| 481 | KindtFlorentia Verster Geslachttv VadertFlorentius Verster MoedertAntonia Emilia van Heurn Soort registratietdoopakte Plaatst's-Hertogenbosch Plaats doopt's-Hertogenbosch Datum doopt14-08-1782 Periodet1764-1799 DeeltDopen Grote Kerk 1764-1799 Toegangsnr.t8056 Inv.nr.t74 | Verster, Florentia Catharina (I501826)
|
| 482 | KindtFlorentia Verster Geslachttv VadertFlorentius Verster MoedertAntonia Emilia van Heurn Soort registratietdoopakte Plaatst's-Hertogenbosch Plaats doopt's-Hertogenbosch Datum doopt14-08-1782 Periodet1764-1799 DeeltDopen Grote Kerk 1764-1799 Toegangsnr.t8056 Inv.nr.t74 | Verster, Florentia Catharina (I8612)
|
| 483 | KindtFlorentia Verster Geslachttv VadertFlorentius Verster MoedertAntonia Emilia van Heurn Soort registratietdoopakte Plaatst's-Hertogenbosch Plaats doopt's-Hertogenbosch Datum doopt14-08-1782 Periodet1764-1799 DeeltDopen Grote Kerk 1764-1799 Toegangsnr.t8056 Inv.nr.t74 | Verster, Florentia Catharina (I8612)
|
| 484 | KindtMartha Verster Geslachttv VadertFlorentius Verster MoedertAntonia Emilia van Heurn Getuige 1tAbraham Vester Getuige 2tGeertruij Henriette Jacqueline Collot d' Eseurij Soort registratietdoopakte DiversentGetuige (Geertruij Collot d' Eseurij): is Baronesse. Plaatst's-Hertogenbosch Plaats doopt's-Hertogenbosch Datum doopt23-02-1787 Periodet1764-1799 DeeltDopen Grote Kerk 1764-1799 Toegangsnr.t8056 Inv.nr.t74 | Verster, Martha Christina Geertruy (I501827)
|
| 485 | KindtMartha Verster Geslachttv VadertFlorentius Verster MoedertAntonia Emilia van Heurn Getuige 1tAbraham Vester Getuige 2tGeertruij Henriette Jacqueline Collot d' Eseurij Soort registratietdoopakte DiversentGetuige (Geertruij Collot d' Eseurij): is Baronesse. Plaatst's-Hertogenbosch Plaats doopt's-Hertogenbosch Datum doopt23-02-1787 Periodet1764-1799 DeeltDopen Grote Kerk 1764-1799 Toegangsnr.t8056 Inv.nr.t74 | Verster, Martha Christina Geertruy (I8613)
|
| 486 | KindtMartha Verster Geslachttv VadertFlorentius Verster MoedertAntonia Emilia van Heurn Getuige 1tAbraham Vester Getuige 2tGeertruij Henriette Jacqueline Collot d' Eseurij Soort registratietdoopakte DiversentGetuige (Geertruij Collot d' Eseurij): is Baronesse. Plaatst's-Hertogenbosch Plaats doopt's-Hertogenbosch Datum doopt23-02-1787 Periodet1764-1799 DeeltDopen Grote Kerk 1764-1799 Toegangsnr.t8056 Inv.nr.t74 | Verster, Martha Christina Geertruy (I8613)
|
| 487 | Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor 6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd. De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België | Asselbergs, Petrus (I502047)
|
| 488 | Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor 6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd. De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België -- MERGED NOTE ------------ _UID 62dfe4fae1f291ed904050e085dd869a _UPD 26 JUL 2022 14:58:34 GMT+1 Stambomen op MyHeritage Familiesite: Van de Voort Web Site Familiestamboom: 490947941-1PAGE Petrus Asselbergs DATA DATE 26 JUL 2022 TEXT Toegevoegd via een Person Discovery QUAY 3 Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd.De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België -- MERGED NOTE ------------ _UID 62dfe4fae1f291ed904050e085dd869a _UPD 26 JUL 2022 14:58:34 GMT+1 Stambomen op MyHeritage Familiesite: Van de Voort Web Site Familiestamboom: 490947941-1PAGE Petrus Asselbergs DATA DATE 26 JUL 2022 TEXT Toegevoegd via een Person Discovery QUAY 3 Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd.De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België -- MERGED NOTE ------------ Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor 6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd. De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België | Asselbergs, Petrus (I9584)
|
| 489 | Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor 6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd. De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België -- MERGED NOTE ------------ _UID 62dfe4fae1f291ed904050e085dd869a _UPD 26 JUL 2022 14:58:34 GMT+1 Stambomen op MyHeritage Familiesite: Van de Voort Web Site Familiestamboom: 490947941-1PAGE Petrus Asselbergs DATA DATE 26 JUL 2022 TEXT Toegevoegd via een Person Discovery QUAY 3 Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd.De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België -- MERGED NOTE ------------ _UID 62dfe4fae1f291ed904050e085dd869a _UPD 26 JUL 2022 14:58:34 GMT+1 Stambomen op MyHeritage Familiesite: Van de Voort Web Site Familiestamboom: 490947941-1PAGE Petrus Asselbergs DATA DATE 26 JUL 2022 TEXT Toegevoegd via een Person Discovery QUAY 3 Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd.De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België -- MERGED NOTE ------------ Petrus Asselberghs pacht op 27 januari 1725 de windmolen van Schilde, gelegen aan de Waterstraat en gewoonlijk de Heimolen genoemd. Het contract wordt beschreven bij notaris Hermans te Antwerpen en de condities worden vastgesteld tussen Baron de Cloots van Schilde enerzijds en Peter Asselberghs anderzijds. Half maart van dat jaar betrekt hij samen met zijn vrouw het molenhuis. De volgende tekst vinden we in het boek, dat door de rentmeester van de heerlijkheid wordt bijgehouden: "Meulder Peeter van Asselberg heeft in pacht aen genomen voor 6 jaar ingaende 1/2 mart 1725 eijndigende 1/2 mart 1731 mits betaelende s' jaars 465 vrij gelt alle lasten buijten sijnsen, mits leverende s' jaars 6 mandelen strooij en het huijs in goeden staet houdende nota op commende heb het huijs in goede ordre doen stellen" Petrus Asselberghs is zijn hele leven molenaar op de 'Heimolen' gebleven. Reeds voor 1570 stond er een houten molen in de heide aan het Zandven tussen Schilde en Brecht, ver van de bewoo nde kernen. Na een brand omstreeks 1700 wordt de molen herbouwd. De molen is buiten gebruik sinds 1920 en in 1940 door de oprukkende Duitsers in brand geschoten omdat hij als observatiepost had gedien d voor de Franse soldaten. (zie foto) - Foto van de 'Heidemolen' te Schilde, België | Asselbergs, Petrus (I9584)
|
| 490 | = Peurquaet. PRb: Leffinge, p. ?, 26.05.1727. | Peurquaet (Puerquat, Pourquat), Jacobus (I2647)
|
| 491 | = Peurquaet. PRb: Leffinge, p. ?, 26.05.1727. | Peurquaet (Puerquat, Pourquat), Jacobus (I1641)
|
| 492 | = Peurquaet. PRb: Leffinge, p. ?, 26.05.1727. | Peurquaet (Puerquat, Pourquat), Jacobus (I1641)
|
| 493 | Afbeeldingen van de originele documenten, waarop aanvullende informatie kan worden gevonden, zijn beschikbaar voor vele van deze overlijdensrecords. Aanvullende plaatsen zijn Hillegom, Leiderdorp, Noordwijk, Rijnsburg, Sassenheim, Voorhout, Warmond en Zoeterwoude. ID S0142: Nederland, overlijdens Leiden, 1811 - 1960. MyHeritage. | Source (S500660)
|
| 494 | Afbeeldingen van de originele documenten, waarop aanvullende informatie kan worden gevonden, zijn beschikbaar voor vele van deze overlijdensrecords. Aanvullende plaatsen zijn Hillegom, Leiderdorp, Noordwijk, Rijnsburg, Sassenheim, Voorhout, Warmond en Zoeterwoude. ID S0142: Nederland, overlijdens Leiden, 1811 - 1960. MyHeritage. | Source (S545)
|
| 495 | Afbeeldingen van de originele documenten, waarop aanvullende informatie kan worden gevonden, zijn beschikbaar voor vele van deze overlijdensrecords. Aanvullende plaatsen zijn Hillegom, Leiderdorp, Noordwijk, Rijnsburg, Sassenheim, Voorhout, Warmond en Zoeterwoude. ID S0142: Nederland, overlijdens Leiden, 1811 - 1960. MyHeritage. | Source (S544)
|
| 496 | Afbeeldingen van de originele documenten, waarop aanvullende informatie kan worden gevonden, zijn beschikbaar voor vele van deze overlijdensrecords. Aanvullende plaatsen zijn Hillegom, Leiderdorp, Noordwijk, Rijnsburg, Sassenheim, Voorhout, Warmond en Zoeterwoude. ID S0142: Nederland, overlijdens Leiden, 1811 - 1960. MyHeritage. | Source (S544)
|
| 497 | Akte 106 | van Eijnatten, mijnh. (I6256)
|
| 498 | Akte 106 | van Eijnatten, mijnh. (I5156)
|
| 499 | Akte 106 | van Eijnatten, mijnh. (I5156)
|
| 500 | Akte 11 | van Eijnatten (I6261)
|
| 501 | Akte 11 | van Eijnatten (I5161)
|
| 502 | Akte 11 | van Eijnatten (I5161)
|
| 503 | Akte 13 | van Eijnatten (I6257)
|
| 504 | Akte 13 | van Eijnatten (I5157)
|
| 505 | Akte 13 | van Eijnatten (I5157)
|
| 506 | Akte 26 | van Eijnatten, mijnh. (I6256)
|
| 507 | Akte 26 | van Eijnatten, mijnh. (I5156)
|
| 508 | Akte 26 | van Eijnatten, mijnh. (I5156)
|
| 509 | Akte 4 | Family: mijnh. van Eijnatten / Johanna van Eijnatten (F2699)
|
| 510 | Akte 4 | Family: mijnh. van Eijnatten / Johanna van Eijnatten (F2188)
|
| 511 | Akte 4 | Family: mijnh. van Eijnatten / Johanna van Eijnatten (F2188)
|
| 512 | Akte 50 | van Eijnatten (I6258)
|
| 513 | Akte 50 | van Eijnatten (I5158)
|
| 514 | Akte 50 | van Eijnatten (I5158)
|
| 515 | Akte 8 | van Eijnatten (I6257)
|
| 516 | Akte 8 | van Eijnatten (I5157)
|
| 517 | Akte 8 | van Eijnatten (I5157)
|
| 518 | Akte 9 | van Eijnatten (I6259)
|
| 519 | Akte 9 | van Eijnatten (I5159)
|
| 520 | Akte 9 | van Eijnatten (I5159)
|
| 521 | Akte 96 | van Eijnatten (I6260)
|
| 522 | Akte 96 | van Eijnatten (I5160)
|
| 523 | Akte 96 | van Eijnatten (I5160)
|
| 524 | akte nummer 02, om 14.00 uur, Lillo Kruisweg. | Van Look (De Bie), Ludovicus Carolus (I6126)
|
| 525 | akte nummer 02, om 14.00 uur, Lillo Kruisweg. | van Look (De Bie), Ludovicus Carolus (I5031)
|
| 526 | akte nummer 02, om 14.00 uur, Lillo Kruisweg. | van Look (De Bie), Ludovicus Carolus (I5031)
|
| 527 | alternat birth date Nov 5 1784 - Leffinge, West-Vlaanderen, Belgie | Souvagie, Petrus Jacobus (I4274)
|
| 528 | alternat birth date Nov 5 1784 - Leffinge, West-Vlaanderen, Belgie | Souvagie, Petrus Jacobus (I3253)
|
| 529 | alternat birth date Nov 5 1784 - Leffinge, West-Vlaanderen, Belgie | Souvagie, Petrus Jacobus (I3253)
|
| 530 | Andreas Asselberghs is tot aan zijn dood, als opvolger van zijn vader, molenaar op "De Heimolen" te Schilde geweest. | Asselbergs, Andreas (I502056)
|
| 531 | Andreas Asselberghs is tot aan zijn dood, als opvolger van zijn vader, molenaar op "De Heimolen" te Schilde geweest. | Asselbergs, Andreas (I8798)
|
| 532 | Andreas Asselberghs is tot aan zijn dood, als opvolger van zijn vader, molenaar op "De Heimolen" te Schilde geweest. | Asselbergs, Andreas (I8798)
|
| 533 | Baptism | Vermeer, Joannes (I8087)
|
| 534 | Baptism | Vermeer, Joannes (I8087)
|
| 535 | Begraafplaats Wernhoutseweg | van Eijnatten (I6257)
|
| 536 | Begraafplaats Wernhoutseweg | van Eijnatten (I5157)
|
| 537 | Begraafplaats Wernhoutseweg | van Eijnatten (I5157)
|
| 538 | Begrafenis | Vandeputte, Maria van Lauwe (I7058)
|
| 539 | Begrafenis | Vanneste, Josephus Ignatius (I500972)
|
| 540 | Begrafenis | Vanneste (Van Neste), Josephus Franciscus (I501141)
|
| 541 | Begrafenis | Vandeputte, Maria van Lauwe (I5937)
|
| 542 | Begrafenis | Vanneste, Josephus Ignatius (I7954)
|
| 543 | Begrafenis | Vandeputte, Maria van Lauwe (I5937)
|
| 544 | Begrafenis | Vanneste, Josephus Ignatius (I7954)
|
| 545 | Begraven in de kerk van Niel, Antwerpen, België. | Van Ranst, Jan (I501399)
|
| 546 | Begraven in de kerk van Niel, Antwerpen, België. | van Ranst, Jan (I8272)
|
| 547 | Begraven in de kerk van Niel, Antwerpen, België. | van Ranst, Jan (I8272)
|
| 548 | Begraven in de kerk van Niel, Antwerpen. | Van Ranst, Jan (I501399)
|
| 549 | Begraven in de kerk van Niel, Antwerpen. | van Ranst, Jan (I8272)
|
| 550 | Begraven in de kerk van Niel, Antwerpen. | van Ranst, Jan (I8272)
|
| 551 | Begraven in het kruiskoor in de St Lambertuskerk | Piers, Leonardus (I6216)
|
| 552 | Begraven in het kruiskoor in de St Lambertuskerk | Piers, Leonardus (I5117)
|
| 553 | Begraven in het kruiskoor in de St Lambertuskerk | Piers, Leonardus (I5117)
|
| 554 | Bevolkingsregister BLADEL inv. nr. 10 folio 122 volgnr. 3 Vertrokken 19/06/1850 naar RETIE | Sledsens, Petrus (I7150)
|
| 555 | Bevolkingsregister BLADEL inv. nr. 10 folio 122 volgnr. 3 Vertrokken 19/06/1850 naar RETIE | Sledsens, Petrus (I6029)
|
| 556 | Bevolkingsregister BLADEL inv. nr. 10 folio 122 volgnr. 3 Vertrokken 19/06/1850 naar RETIE | Sledsens, Petrus (I6029)
|
| 557 | Bevolkingsregister BLADEL inv. nr. 6 folio 43 volgnr. 1 | Sledsens (Sleddens) (Sledde), Henricus (I1432)
|
| 558 | Bevolkingsregister BLADEL inv. nr. 6 folio 43 volgnr. 1 | Sledsens (Sleddens) (Sledde), Henricus (I441)
|
| 559 | Bevolkingsregister BLADEL inv. nr. 6 folio 43 volgnr. 1 | Sledsens (Sleddens) (Sledde), Henricus (I441)
|
| 560 | Cause of death: Myocardial infarction | Sánchez, Fernando (I6156)
|
| 561 | Cause of death: Myocardial infarction | Sánchez, Fernando (I5061)
|
| 562 | Cause of death: Myocardial infarction | Sánchez, Fernando (I5061)
|
| 563 | Charlotte was his cousin. (By whom is not recorded.) | du Puy, Charlotte (I502445)
|
| 564 | Charlotte was his cousin. (By whom is not recorded.) | du Puy, Charlotte (I9040)
|
| 565 | Charlotte was his cousin. (By whom is not recorded.) | du Puy, Charlotte (I9040)
|
| 566 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. Some divorce records are also included. The majority of the records date between 1811 and 1940, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe Drenthe Archive (Drents Archief)Flevoland Nieuw Land Heritage (Nieuw Land Erfgoedcentrum) Friesland Tresoar (AlleFriezen) Historic Centre Leeuwarden (Historisch Centrum Leeuwarden)< Gelderland Municipal Archives Ede (Gemeentearchief Ede) Regional Archives Rivierenland (Regionaal Archief Rivierenland) Groningen> AlleGroningers (AlleGroningers) Limburg Municipal Archive Kerkrade (Gemeentearchief Kerkrade) Municipal Archive Venray (Gemeente Venray, gemeentearchief) Municipal Archives of Venlo (Gemeentearchief Venlo) Regional Historic Centre Limburg (Regionaal Historisch Centrum Limburg)Rijckheyt, Center for Regional History (Rijckheyt, centrum voor regionale geschiedenis) North Brabant Brabant Historical Information Centre (Brabants Historisch Informatie Centrum) City Archive Breda (Stadsarchief Breda) Regional Historic Centre Eindhoven (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven) West-Brabant Archive (West Brabants Archief) Regional Archive Tilburg (Regionaal Archief Tilburg) North Holland North Holland Archive (Noord-Hollands Archief) Regional Archive Alkmaar (Regionaal Archief Alkmaar) Overijssel City Archives Enschede (Stadsarchief Enschede) Historical Center Overijssel (Historisch Centrum Overijssel) Municipal Archive Hengelo (Gemeentearchief Hengelo) South Holland Archive Delft (Archief Delft) Heritage Leiden and Environs (Erfgoed Leiden en omstreken) Municipality Lisse (Gemeente Lisse) Municipal Archive Schiedam (Gemeentearchief Schiedam) Municipal Archive Wassenaar (Gemeentearchief Wassenaar) Regional Archives Dordrecht (Regional Archives Dordrecht) Provincial Archives South Holland (Nationaal Archief Rijksarchief Zuid-Holland) City Archives Rotterdam (Stadsarchief Rotterdam) Utrecht Eemland Archive (Archief Eemland) The Utrecht Archives (Het Utrechts Archief) Regional History Center Vecht and Venen (Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen) Zeeland Municipal Archive Borsele (Gemeentearchief Borsele) Municipal Archive Schouwen-Duiveland (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland) Zeeland Archives (Zeeuws Archief) ID S0877: Nederland, Huwelijksregister (Burgerlijke Stand), 1811-1940. MyHeritage. | Source (S500232)
|
| 567 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. Some divorce records are also included. The majority of the records date between 1811 and 1940, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe Drenthe Archive (Drents Archief)Flevoland Nieuw Land Heritage (Nieuw Land Erfgoedcentrum) Friesland Tresoar (AlleFriezen) Historic Centre Leeuwarden (Historisch Centrum Leeuwarden)< Gelderland Municipal Archives Ede (Gemeentearchief Ede) Regional Archives Rivierenland (Regionaal Archief Rivierenland) Groningen> AlleGroningers (AlleGroningers) Limburg Municipal Archive Kerkrade (Gemeentearchief Kerkrade) Municipal Archive Venray (Gemeente Venray, gemeentearchief) Municipal Archives of Venlo (Gemeentearchief Venlo) Regional Historic Centre Limburg (Regionaal Historisch Centrum Limburg)Rijckheyt, Center for Regional History (Rijckheyt, centrum voor regionale geschiedenis) North Brabant Brabant Historical Information Centre (Brabants Historisch Informatie Centrum) City Archive Breda (Stadsarchief Breda) Regional Historic Centre Eindhoven (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven) West-Brabant Archive (West Brabants Archief) Regional Archive Tilburg (Regionaal Archief Tilburg) North Holland North Holland Archive (Noord-Hollands Archief) Regional Archive Alkmaar (Regionaal Archief Alkmaar) Overijssel City Archives Enschede (Stadsarchief Enschede) Historical Center Overijssel (Historisch Centrum Overijssel) Municipal Archive Hengelo (Gemeentearchief Hengelo) South Holland Archive Delft (Archief Delft) Heritage Leiden and Environs (Erfgoed Leiden en omstreken) Municipality Lisse (Gemeente Lisse) Municipal Archive Schiedam (Gemeentearchief Schiedam) Municipal Archive Wassenaar (Gemeentearchief Wassenaar) Regional Archives Dordrecht (Regional Archives Dordrecht) Provincial Archives South Holland (Nationaal Archief Rijksarchief Zuid-Holland) City Archives Rotterdam (Stadsarchief Rotterdam) Utrecht Eemland Archive (Archief Eemland) The Utrecht Archives (Het Utrechts Archief) Regional History Center Vecht and Venen (Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen) Zeeland Municipal Archive Borsele (Gemeentearchief Borsele) Municipal Archive Schouwen-Duiveland (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland) Zeeland Archives (Zeeuws Archief) ID S0877: Nederland, Huwelijksregister (Burgerlijke Stand), 1811-1940. MyHeritage. | Source (S117)
|
| 568 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. Some divorce records are also included. The majority of the records date between 1811 and 1940, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe Drenthe Archive (Drents Archief)Flevoland Nieuw Land Heritage (Nieuw Land Erfgoedcentrum) Friesland Tresoar (AlleFriezen) Historic Centre Leeuwarden (Historisch Centrum Leeuwarden)< Gelderland Municipal Archives Ede (Gemeentearchief Ede) Regional Archives Rivierenland (Regionaal Archief Rivierenland) Groningen> AlleGroningers (AlleGroningers) Limburg Municipal Archive Kerkrade (Gemeentearchief Kerkrade) Municipal Archive Venray (Gemeente Venray, gemeentearchief) Municipal Archives of Venlo (Gemeentearchief Venlo) Regional Historic Centre Limburg (Regionaal Historisch Centrum Limburg)Rijckheyt, Center for Regional History (Rijckheyt, centrum voor regionale geschiedenis) North Brabant Brabant Historical Information Centre (Brabants Historisch Informatie Centrum) City Archive Breda (Stadsarchief Breda) Regional Historic Centre Eindhoven (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven) West-Brabant Archive (West Brabants Archief) Regional Archive Tilburg (Regionaal Archief Tilburg) North Holland North Holland Archive (Noord-Hollands Archief) Regional Archive Alkmaar (Regionaal Archief Alkmaar) Overijssel City Archives Enschede (Stadsarchief Enschede) Historical Center Overijssel (Historisch Centrum Overijssel) Municipal Archive Hengelo (Gemeentearchief Hengelo) South Holland Archive Delft (Archief Delft) Heritage Leiden and Environs (Erfgoed Leiden en omstreken) Municipality Lisse (Gemeente Lisse) Municipal Archive Schiedam (Gemeentearchief Schiedam) Municipal Archive Wassenaar (Gemeentearchief Wassenaar) Regional Archives Dordrecht (Regional Archives Dordrecht) Provincial Archives South Holland (Nationaal Archief Rijksarchief Zuid-Holland) City Archives Rotterdam (Stadsarchief Rotterdam) Utrecht Eemland Archive (Archief Eemland) The Utrecht Archives (Het Utrechts Archief) Regional History Center Vecht and Venen (Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen) Zeeland Municipal Archive Borsele (Gemeentearchief Borsele) Municipal Archive Schouwen-Duiveland (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland) Zeeland Archives (Zeeuws Archief) ID S0877: Nederland, Huwelijksregister (Burgerlijke Stand), 1811-1940. MyHeritage. | Source (S117)
|
| 569 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. Some divorce records are also included. The majority of the records date between 1811 and 1940, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe Drenthe Archive (Drents Archief)Flevoland Nieuw Land Heritage (Nieuw Land Erfgoedcentrum) Friesland Tresoar (AlleFriezen) Historic Centre Leeuwarden (Historisch Centrum Leeuwarden)< Gelderland Municipal Archives Ede (Gemeentearchief Ede) Regional Archives Rivierenland (Regionaal Archief Rivierenland) Groningen> AlleGroningers (AlleGroningers) Limburg Municipal Archive Kerkrade (Gemeentearchief Kerkrade) Municipal Archive Venray (Gemeente Venray, gemeentearchief) Municipal Archives of Venlo (Gemeentearchief Venlo) Regional Historic Centre Limburg (Regionaal Historisch Centrum Limburg)Rijckheyt, Center for Regional History (Rijckheyt, centrum voor regionale geschiedenis) North Brabant Brabant Historical Information Centre (Brabants Historisch Informatie Centrum) City Archive Breda (Stadsarchief Breda) Regional Historic Centre Eindhoven (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven) West-Brabant Archive (West Brabants Archief) Regional Archive Tilburg (Regionaal Archief Tilburg) North Holland North Holland Archive (Noord-Hollands Archief) Regional Archive Alkmaar (Regionaal Archief Alkmaar) Overijssel City Archives Enschede (Stadsarchief Enschede) Historical Center Overijssel (Historisch Centrum Overijssel) Municipal Archive Hengelo (Gemeentearchief Hengelo) South Holland Archive Delft (Archief Delft) Heritage Leiden and Environs (Erfgoed Leiden en omstreken) Municipality Lisse (Gemeente Lisse) Municipal Archive Schiedam (Gemeentearchief Schiedam) Municipal Archive Wassenaar (Gemeentearchief Wassenaar) Regional Archives Dordrecht (Regional Archives Dordrecht) Provincial Archives South Holland (Nationaal Archief Rijksarchief Zuid-Holland) City Archives Rotterdam (Stadsarchief Rotterdam) Utrecht Eemland Archive (Archief Eemland) The Utrecht Archives (Het Utrechts Archief) Regional History Center Vecht and Venen (Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen) Zeeland Municipal Archive Borsele (Gemeentearchief Borsele) Municipal Archive Schouwen-Duiveland (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland) Zeeland Archives (Zeeuws Archief) ID S0877: Nederland, Huwelijksregister (Burgerlijke Stand), 1811-1940. MyHeritage. | Source (S117)
|
| 570 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1915, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overiijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0875: Nederlands, Burgelijke geboortes, 1811-1915. MyHeritage. | Source (S500303)
|
| 571 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1965, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0876: Nederland, Overlijdensregister (Burgerlijke Stand), 1811-1965. MyHeritage. | Source (S500324)
|
| 572 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1915, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overiijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0875: Nederlands, Burgelijke geboortes, 1811-1915. MyHeritage. | Source (S188)
|
| 573 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1965, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0876: Nederland, Overlijdensregister (Burgerlijke Stand), 1811-1965. MyHeritage. | Source (S209)
|
| 574 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1915, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overiijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0875: Nederlands, Burgelijke geboortes, 1811-1915. MyHeritage. | Source (S188)
|
| 575 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1965, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0876: Nederland, Overlijdensregister (Burgerlijke Stand), 1811-1965. MyHeritage. | Source (S209)
|
| 576 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1915, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overiijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0875: Nederlands, Burgelijke geboortes, 1811-1915. MyHeritage. | Source (S188)
|
| 577 | Civil registration—the recording of births, marriages, and deaths by civil authorities—was officially instituted in the Netherlands on 1 March 1811. However, in some areas of the Netherlands civil records were kept as early as 1795. Please see the archive list below for locality coverage. The majority of the records date between 1811 and 1965, though the extent of year coverage can vary by locality. Records included in this collection come from the following archives: Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
North Brabant
North Holland
Overijssel
South Holland
Utrecht
Zeeland
ID S0876: Nederland, Overlijdensregister (Burgerlijke Stand), 1811-1965. MyHeritage. | Source (S209)
|
| 578 | Conjoint: Marie-Jeanne Adolpha Madeleine (née Verhagen) Y | Family: Emile Marie Joseph Fritz Ghislain Désirant / Marie-Jeanne Adolpha Madeleine Verhagen (F1944)
|
| 579 | Conjoint: Marie-Jeanne Adolpha Madeleine (née Verhagen) Y | Family: Emile Marie Joseph Fritz Ghislain Désirant / Marie-Jeanne Adolpha Madeleine Verhagen (F1944)
|
| 580 | Dagloner verbleef rond 1820 te Vilvoorde, beroep(en): scheepsmakersknecht | Van Migro, Carolus (I501330)
|
| 581 | Dagloner verbleef rond 1820 te Vilvoorde, beroep(en): scheepsmakersknecht | van Migro, Carolus (I8223)
|
| 582 | Dagloner verbleef rond 1820 te Vilvoorde, beroep(en): scheepsmakersknecht | van Migro, Carolus (I8223)
|
| 583 | De familie Eynatten was een van de belangrijkste families tussen de Maas en Rijn. Ze hebben hun oorsprong in het dorp Eynatten, tussen Aken en Eupen, dichtbij de Geul. Hun genealogie is nauw verbonden met de geschiedenis van Limburg door het vele land die de familie bezat en de gebeurtenissen die enkele familieleden meemaakten. Deze genealogie start in de 14e eeuw, maar ook in de 13e eeuw vinden we de namen van verschillende ridders en jonkheren Van Eynatten, het is echter tegenwoordig moeilijk tot zelfs onmogelijk om ze te plaatsen. De "burgerlijke tak" zoals die in deze stamboom te vinden is stamt af van Wijnand van Eynatten. Hij was Commandeur van de Duitse Orde te Gemert. De Duitse Orde is een ridderorde, ontstaan in 1189 als een gemeenschap van monniken met als doel de verzorging en verpleging van gewonde kruisvaarders. Als Commandeur van de Orde mocht Wijnand dus niet trouwen, dat belette hem echter niet om samem met Cathelijn Valckx een vijftal kinderen te krijgen. Natuurlijk waren dit bastaarden en hadden zij geen rechten meer op de adelijke afstamming. Vanuit Gemert is de familie verder getrokken naar Brabant, vooral in de buurt van Zundert en Breda (Princenhage)komt de familie veelvuldig voor. Inmiddels bestaat de parenteel uit 6588 personen. Tot nu toe gevonden naamsverbasteringen zijn: Van Eijnatten, Van Eijnatte, Van Nijnatten en Van Nijnanten. Soms komen binnen hetzelfde gezin meerdere achternamen voor. Grosses Haus te Eynatten Het dorp Eynatten is zeer zeker de geboorteplek van de familie met dezelfde naam; een van de oudste en de meest machtige families van de hertogdom van Limburg. De goederen, fondsen en heerlijkheden die de familie bezat waren zeer talrijk. Dat gold niet alleen in het hertogdom Limburg, maar de familie werd op veel meer plaatsen aangetroffen, zoals in Condroz, waar ze het prachtige kasteel Abée bezaten en zelfs in Duitsland. De familie is bekend sinds het midden van de 13e eeuw en naar alle waarschijnlijkheid zijn ze toen ook aan het oorspronkelijke Heerschap Eynatten gekomen. Het bevatte een belangrijk domein en een kasteel dat tegenwoordig is verdwenen, maar waarvan enkele sporen zijn gevonden tijdens opgravingen in de 19e eeuw. Het oorspronkelijke heerschap werd opgedeeld, wat te herleiden is aan de twee in elkaar nabijheid zijnde kastelen die beiden bewoond werden door eigenaren met dezelfde afstamming. Dit verschijnsel is niet verschillend van die van Ruyff en Baelen in Henri-Chapelle, en Thor en Mützhof, in Walhorn. Het "Vlattenhaus" wordt ook wel het "Grosses Haus" genoemd (in tegenstelling tot het "Kleines Haus", naam gegeven aan het Amstenreadter Haus) en Schenkenhauses "huis van de schenker" . In navolging van de algemene gewoonte in de streek, ligt het kasteel in een golving van het landschap, 130 meter oost-noord-oost van de kerk en tweehonderd meters ten zuid-zuid-westen van "Amstenraedt". Oorspronkelijk was het een vierhoek, met op elke hoek een robuuste ronde toren. De dikke defefensieve muren kwamen 3 a 4 meter boven het omringende water uit. De entree was naar de noord-noord-oost, in de as van de huidige stenen brug. Een curieus detail is dat er op de gewelven van bogen aanslag te zien van het water. Dat veronderstelt dat er op een bepaald moment een overstroming geweest is. Waarschijnlijk is de stenen brug een vervanging van een voormalige ophaalbrug. Vlattenhaus was een waterburcht, maar groter dan allen in de streek en met z'n vier torens had hiij geen betoog in het oude Hertogdom. Deze bijzonderheid - klassiek in andere landstreken - maakte het de eventuele aanvallers zeer moeilijk, met de grote muren achter de gracht. Twee ronde uitstekende torens op de hoeken konden de verdedigers op de muren nog ondersteunen. Het was de toepassing van de oude militaire grondbeginsel van het kruisvuur. Het "Vlattenhaus" was dus beter versterkt dan alle andere herenhuizen in de omgeving. Dit had zeker te maken met de faam van de bezitters een de belangrijk rol die zij speelde in de defensie van de territorium. In het centrum van hun bezittingen bouwden in 1761 de Jezuïetenorde uit Aachen (Duitsland) een kleiner gebouw dan het oude. Het had het niets meer van een Herenhuis, met zijn zandstenen muren van slechts één verdieping hoog, vensters met een gewelf in de stijl van Lodewijk XV en een naar twee kanten gewelfd dak. Bij de topgevel noord-nood-oost een aanbouw met een kleine portiek tegenover de toegangsbrug. In het midden van de 19e eeuw stortte een groot deel van het gebouw in, dit werd weer opgebouwd. In september 1944 tijdens de gevechtej tusen de Amerikaanse en Duitse legers trof een Amerikaanse bom het "Vlattenhaus" en zorgde voor een grote beschadiging. De portiek en het noord-noord-oost deel was helemaal vernietigd. De rest wacht nog op restauratie. Bij de verdeling van de nalatenschap van Thibaut van Eijnatten kreeg de oudste zoon Peter van Eynatten het oude familiekasteel. Na de instorting van dit kasteel bouwde hij, in de eerste helft van de 14e eeuw, in de buurt een nieuw kasteel: het "Grote Huis", later het "Vlattenhaus" genoemd. Het kasteel gaat over naar hun zoon Mathillion van Eynatten, getrouwd met Catharina van Bombaye; dan naar hun dochter Catharina van Eynatten, die in 1424 trouwt met Johan Thoreel, Heer van Bernaeu. Hun dochter, Johanna Thoreel, erft het huis en door haar huwelijk in 1475 met Heinrich von Vlatten komt het kasteel in de familie Vlatten. Heinrich von Vlatten was erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, dit was ook de reden dat in dit tijdperk het kasteel "Schenkenhaus"genoemd werd. Zijn zoon Conrad von Vlatten, evenals zijn vaderlijk ook erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, neemt het kastel over en daarna gaat het naar zijn zoon Renard von Vlatten, eigenaar in 1539. Na de dood van Renard von Vlatten doen zijn zijn kinderen afstand van hun rechten ten gunste van hun broer Bertrand (1597). Hij geeft het kasteel in 1602 aan de kinderen van zijn broer Heinrich, maar hij kocht het in 1616 weer terug. In 1627, is het kasteel overgegaan naar Conon von Vlatten (zijn zoon?), die overleed in 1634, na zijn huwelijk met Catherina Scholl. Zijn zoon Conon von Vlatten krijgt het kasteel in 1651; hij trouwt met Maria Catherina Hanotte en overlijd in 1663. Zijn kinderen waren een lange tijdperk in de mede-eigenaren, zij verkavelen en verkopen uiteindelijk een onderdeel van de domein. In 1696 wordt het kasteel door een echtgenoot van een van de mede-eigenaren, stadhouder Frans Hanotte gekocht. Het laatste deel werd door Jean Jacques van Vlatten verkocht in 1703. Frans Hanotte ovverleed het jaar daarop. Na de dood van Frans Hanotte gaat het kasteel over naar zijn zoon Jean Olivier, die overleed op 14 maart 1714, waarna het kasteel overgaat naar zijn moeder. Deze schenkt het kasteel aan de Jezuïeten van Aken, die volledig eigenaar waren in 1732. Het oude herenhuis gebouwd door Peter van Eynatten in de 14e eeuw werd ten gronde gericht, slechts het fundament bleef over en er werd een "vakantiehuis" op gebouwd. Zij werden wat ten tijde van de opheffing van hun orde in 1733 onteigend. Drie jaren later, werd het eigendom door de overheid verkocht aan Theodore Thyssen, op rekening van zijn schoonvader Arnold Römer-Lambertz. Deze laat het in 1788 na aan zijn dochter Anna Catherina, die het alter weer vermaakt aan haar nicht Sybille Thyssen, vrouw van Willem Birven van Astenet. In 1837 gaat het kasteel over naar zijn zoon, Nicolas Birven, en na zijn door in 1871, naar nicht Frédérica Baur, vrouw van Hugo Fr. Th. Ed. Talbot, rentenier uit Aken. Ze overleed kinderloos in 1904 en het "Vlattenhaus" werd het eigendom van Peter Reuther, uit Aken, die het in 1909 verkocht aan Charles Beaucamp, uit Aken, echtgenoot van Elisabeth Kesselkaul. Na de oorlog van 1914-1918 werd het kasteel verbeurd verklaard en voor een tijdje zelfs al schuur gebruikte. In 1942 werd er weer begonnen aan het herstel, maar in 1944 werd het wederom vernietigd. Kleines Haus te Eynatten De namen Amstenraedt en Reuschenberg laten zien dat in vroeger de kastelen genoemd worden naar de familienamen van de eigenaren. Dit geldt ook voor het Vlattenhaus, het Waldenburghaus en het Philippenhaus (waarover later meer). Momenteel is het Amstenraedter Haus meer bekend onder de naam Herrenhaus. Dit oude en zéér interessante landhuis ligt 200 meter ten maden van de kerk van Eynatten en 200 motor ten noord-noord-oosten van het Vlattenhaus. Tussen deze twee landgoeden liggen boerderijgebouwen en een vijver waarin waterhoenderen rond zwemmen. Het Amstenraedter Haus is, net zo als het Vlattenhaus, helemaal omringd door water, maar is zodanig op het vlakke eilandje gebouwd, dat het toch mogelijk is helemaal om het kasteel heen te lopen. Het Amstenraedter Haus is alleen toegankelijk via een stenen brug ten zuidoosten ervan. Van deze kant af gezien, is het wateroppervlak zo uitgestrekt dat het eerder op een meer lijkt dan op eenvoudige grachten. Dit droeg trouwens bij tot het vergroten van de veiligheid van het kasteel. Men kan zich afvragen waarom men zich in die tijd vaak tevreden stelde met het graven van relatief smalle slotgrachten om deze gebouwen, terwijl het grote verval van de beekjes veel grotere en doeltreffender verdedigingswerken mogelijk maakte. Misschien moet men er rekening mee houden dat de eigenaren van de tamelijke kleine leengoederen van het hertogdom Limburg, aarzelden om hun vruchtbare landbouwgrond (nodig voor hun bestaan) op te offeren aan grachten ter verdediging. Het kasteel omvat twee rechthoekige compacte gebouwen die parallel ten opzichte van elkaar liggen. Ze zijn met elkaar verbonden aan de noordoostzijde door middel van een derde gebouw. Aan de tegenoverliggende zijde door een muur van dezelfde hoogte, zodat de kleine binnenplaats geheel omsloten is. Aan deze muur is een naar binnen toe gericht afdak gebouwd en een trap die naar de eerste etage leidt. Aan de buittenkant van de muur (in het verlengde naar de brug) een kleiner, vierkant voorportaalgebouw uit de zeventiende eeuw dat minder hoog is dan de andere gebouwen. Zijn vierzijdige torenspits is versierd met een dakvenster en helemaal boveninin een weerhaan. Het kasteel heeft slechts één bovenverdieping. De ramen zijn klein en gering in aantal. Sommige ramen zijn ooit veranderd en vergroot. De daken van de twee vleugels bestaan uit vier hellende vlakken die met leisteen zijn bedektt. Ze zijn zeer bezonder door hun hoogte en hun afmeting. Hun nok is versierd met weerhaantjes en hoger dan het dak van het gebouw dat de twee vleugels verbindt. Het is voorzien van enkele kleine dakvensters, en steekt ruim over de gevels heen en steunt op houten muurankers. Het grondgebied rond het Amsterraedter Haus was afhankelijk van een gebied behorend tot de familie van Eynatten (evenals het Vlattenhaus), maar aanvankelijk bestond er slechts één kasteel. We hebben in het voorgaande reeds kunnen zien dat tijdens de verdeling van de bezittingen van Thibaut d'Eynatten, zijn oudste zoon Pierre d'Eynatten werd aangewezen als opvolger van het kasteel (door laatstgenoemde het Grosses Haus genoemd). De jongstte zoon Jean d'Eynatten kreeg een ander deel van het familiegrondbezit en liet daar een versterkt kasteel bouwen (ca. tweede helft vijftiende eeuw) dat men Kleines Haus noemde om het van het ander kasteel te onderscheiden. Dat is de oorsprong van het huidige Amstenraedter Haus. In zijn boek "Eupen en omgeving" zegt Rutsch, dat de historie van deze twee naburige bezittingen zo warrig is dat het bijna onmogelijk is met zekerheid de opvolgingen op te noemen. Zo zegt hij dat het kasteel Grosses Haus in de vijftiende eeuw toebehorde aan Colyn Beissel en Jaques de Rabothrath, vervolgens aan de weduwe van Binsfeld. geborene Elisabeth de Bensenraedt. In werkelijkheid blijkt het kasteel over te zijn gaan van Jean d'Eynatten, (die het heeft laten bouwen) aan zijn oudste zoon uit het huwelijk met Marguerite van den Bongard eveneens Jean d'Eynatten. Deze trouwt in 1398 met Jeanne de Neubourg. De bezittingen worden na hun overgenomen door hun zoon Thibaut of Théobald d'Eynatten, echtgenoot van Catherine van Mulken. Na hun dood gingen de bezittingen over op hun zoon Servais d'Eynatten, die in eerste instantie trouwde met Adélaïde de Schönradt (ca. 1505) en in tweede instantie met Gertrude (de) Bock. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon; Joan Nicolas d'Eynatten (ca. 1536) die het landgoed erfde en trouwde met Marie de Schwartz de Hirtz. Hun dochter Agnes kreeg het op haar beurt in bezit, en door haar huwelijk met Jacques de Reuschenberg kwam het landgoed in deze familie terecht. Vanaf deze tijd noemde men het huis dan ook Reuschenberger Haus. Het hele goed gaat over in handen van hun dochter Catherine de Reuschenberg die getrouwd was met Gothard de Harff. Zij krijgen een zoon, eveneens genoemd Gothard de Harff, die lateer trouwt met N. Huyn d'Amstenraedt. Eenmaal eigenaar geworden van het landgoed, schenkt hij het in 1611 aan zijn zuster Anne de Harff bij gelegenheid van haar huwelijk met Frambach de Gulpen. Maar deze schenking leidt tot niets want er zijn geen erfgenamen uit dit huwelijk. Bij hun beider overlijden gaat het bezit terug naar hun neven, de nog minderjarige kinderen van zijn broer Gothard de Harff. Deze geven het in handen van hun oom (van moederskant) Arnold Huyn d'Amstenraedt, heer van Brusthem (1647). Hij was het die het voorportaalgebouw aan de voorzijde liet bouwen. Na zijn dood kwam alles toe aan zijn dochter Claire Anne Huyn d'Amstenraedt en haar man Gérard van Dieden Malatesta, ruiterkapitein in het leger van koning PhPhilippe IV. Deze sterft aan het einde van het zeventiende eeuw. In 1701 kwamen de bezittingen door hypothécaire schuld in handen Graaf Philippe Guillaume de Hoensbroeck, ondanks vele verzoeken van de weduwe van de overleden eigenaar. De kinderen van Gérard van Dieden Maletesta lukt het echter de schulden door middel van een lening van Nicolas Moeren uit Aken af te lossen. Zij blijven in het bezit van het kasteel, maar verkopen het in 1704 aan hun geldschieter, de eerdergenoemde Moerenn. Deze sterft in 1709 en het landgoed gaat over op zijn dochter Jeanne Moeren die in 1687 met Jean Gaspard Deltour getrouwd was. Deze liet het kasteel ingrijpend veranderen en gaf het er het huidige karakter aan. In 1733 valt alles ten beurt aaan zijn oudste zoon Jean Jacques Joseph Deltour. Deze laatste doet het bezit over aan zijn nicht Anno Marie Thérèse Deltour, die in 1746 trouwt met Nicolas Léonard Charlier oudkapitein in het Oostenrijkse leger. In 1788 verkoopt deze het goed aaaan Arnold Römer-Lambertz, die inmiddels al eigenaar geworden was van het Vlattenhaus. Hij laat het Amstenraedter Haus na een zijn dochter Sybille Lambertz, echtgenote van André-Joseph Franssen uit Maastricht. Die sterft in 1845. Zijn zoon, André-Joseph Franssen-junior erft alles en zijn kinderen volgen hem op hun beurt op. Onder deze kinderen bevond zich ook Ferdinand-Jean-Jaques-Hubert Franssen, rechter aan het hof van justitie te Heinsberg. Deze bleef waarschijnlijk uiteindelilijk alléén over als eigenaarerfgenaam, want zijn kinderen erven het landgoed. Eén van hen, André-Joseph-Hubert-Robert Franssen wordt eigenaar (bij notariële akte van notaris Schäfer te Aken op 9 februari 1903); hij sterft in 1946. Hij was die op 25 juli 1938 in de adelstand werd verheven en de titel baron kroeg, alsmede het recht om "de Cortenbach" aan zijn naam toe te voegen (een vroeger bezit van zijn familie te Membach). Zijn weduwe. geboren Marie Tychon en kinderen worden erfgenamen en eigenaar van het oude Herrenhaus. | Van Eynatten, Maria (I7261)
|
| 584 | De familie Eynatten was een van de belangrijkste families tussen de Maas en Rijn. Ze hebben hun oorsprong in het dorp Eynatten, tussen Aken en Eupen, dichtbij de Geul. Hun genealogie is nauw verbonden met de geschiedenis van Limburg door het vele land die de familie bezat en de gebeurtenissen die enkele familieleden meemaakten. Deze genealogie start in de 14e eeuw, maar ook in de 13e eeuw vinden we de namen van verschillende ridders en jonkheren Van Eynatten, het is echter tegenwoordig moeilijk tot zelfs onmogelijk om ze te plaatsen. De "burgerlijke tak" zoals die in deze stamboom te vinden is stamt af van Wijnand van Eynatten. Hij was Commandeur van de Duitse Orde te Gemert. De Duitse Orde is een ridderorde, ontstaan in 1189 als een gemeenschap van monniken met als doel de verzorging en verpleging van gewonde kruisvaarders. Als Commandeur van de Orde mocht Wijnand dus niet trouwen, dat belette hem echter niet om samem met Cathelijn Valckx een vijftal kinderen te krijgen. Natuurlijk waren dit bastaarden en hadden zij geen rechten meer op de adelijke afstamming. Vanuit Gemert is de familie verder getrokken naar Brabant, vooral in de buurt van Zundert en Breda (Princenhage)komt de familie veelvuldig voor. Inmiddels bestaat de parenteel uit 6588 personen. Tot nu toe gevonden naamsverbasteringen zijn: Van Eijnatten, Van Eijnatte, Van Nijnatten en Van Nijnanten. Soms komen binnen hetzelfde gezin meerdere achternamen voor. Grosses Haus te Eynatten Het dorp Eynatten is zeer zeker de geboorteplek van de familie met dezelfde naam; een van de oudste en de meest machtige families van de hertogdom van Limburg. De goederen, fondsen en heerlijkheden die de familie bezat waren zeer talrijk. Dat gold niet alleen in het hertogdom Limburg, maar de familie werd op veel meer plaatsen aangetroffen, zoals in Condroz, waar ze het prachtige kasteel Abée bezaten en zelfs in Duitsland. De familie is bekend sinds het midden van de 13e eeuw en naar alle waarschijnlijkheid zijn ze toen ook aan het oorspronkelijke Heerschap Eynatten gekomen. Het bevatte een belangrijk domein en een kasteel dat tegenwoordig is verdwenen, maar waarvan enkele sporen zijn gevonden tijdens opgravingen in de 19e eeuw. Het oorspronkelijke heerschap werd opgedeeld, wat te herleiden is aan de twee in elkaar nabijheid zijnde kastelen die beiden bewoond werden door eigenaren met dezelfde afstamming. Dit verschijnsel is niet verschillend van die van Ruyff en Baelen in Henri-Chapelle, en Thor en Mützhof, in Walhorn. Het "Vlattenhaus" wordt ook wel het "Grosses Haus" genoemd (in tegenstelling tot het "Kleines Haus", naam gegeven aan het Amstenreadter Haus) en Schenkenhauses "huis van de schenker" . In navolging van de algemene gewoonte in de streek, ligt het kasteel in een golving van het landschap, 130 meter oost-noord-oost van de kerk en tweehonderd meters ten zuid-zuid-westen van "Amstenraedt". Oorspronkelijk was het een vierhoek, met op elke hoek een robuuste ronde toren. De dikke defefensieve muren kwamen 3 a 4 meter boven het omringende water uit. De entree was naar de noord-noord-oost, in de as van de huidige stenen brug. Een curieus detail is dat er op de gewelven van bogen aanslag te zien van het water. Dat veronderstelt dat er op een bepaald moment een overstroming geweest is. Waarschijnlijk is de stenen brug een vervanging van een voormalige ophaalbrug. Vlattenhaus was een waterburcht, maar groter dan allen in de streek en met z'n vier torens had hiij geen betoog in het oude Hertogdom. Deze bijzonderheid - klassiek in andere landstreken - maakte het de eventuele aanvallers zeer moeilijk, met de grote muren achter de gracht. Twee ronde uitstekende torens op de hoeken konden de verdedigers op de muren nog ondersteunen. Het was de toepassing van de oude militaire grondbeginsel van het kruisvuur. Het "Vlattenhaus" was dus beter versterkt dan alle andere herenhuizen in de omgeving. Dit had zeker te maken met de faam van de bezitters een de belangrijk rol die zij speelde in de defensie van de territorium. In het centrum van hun bezittingen bouwden in 1761 de Jezuïetenorde uit Aachen (Duitsland) een kleiner gebouw dan het oude. Het had het niets meer van een Herenhuis, met zijn zandstenen muren van slechts één verdieping hoog, vensters met een gewelf in de stijl van Lodewijk XV en een naar twee kanten gewelfd dak. Bij de topgevel noord-nood-oost een aanbouw met een kleine portiek tegenover de toegangsbrug. In het midden van de 19e eeuw stortte een groot deel van het gebouw in, dit werd weer opgebouwd. In september 1944 tijdens de gevechtej tusen de Amerikaanse en Duitse legers trof een Amerikaanse bom het "Vlattenhaus" en zorgde voor een grote beschadiging. De portiek en het noord-noord-oost deel was helemaal vernietigd. De rest wacht nog op restauratie. Bij de verdeling van de nalatenschap van Thibaut van Eijnatten kreeg de oudste zoon Peter van Eynatten het oude familiekasteel. Na de instorting van dit kasteel bouwde hij, in de eerste helft van de 14e eeuw, in de buurt een nieuw kasteel: het "Grote Huis", later het "Vlattenhaus" genoemd. Het kasteel gaat over naar hun zoon Mathillion van Eynatten, getrouwd met Catharina van Bombaye; dan naar hun dochter Catharina van Eynatten, die in 1424 trouwt met Johan Thoreel, Heer van Bernaeu. Hun dochter, Johanna Thoreel, erft het huis en door haar huwelijk in 1475 met Heinrich von Vlatten komt het kasteel in de familie Vlatten. Heinrich von Vlatten was erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, dit was ook de reden dat in dit tijdperk het kasteel "Schenkenhaus"genoemd werd. Zijn zoon Conrad von Vlatten, evenals zijn vaderlijk ook erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, neemt het kastel over en daarna gaat het naar zijn zoon Renard von Vlatten, eigenaar in 1539. Na de dood van Renard von Vlatten doen zijn zijn kinderen afstand van hun rechten ten gunste van hun broer Bertrand (1597). Hij geeft het kasteel in 1602 aan de kinderen van zijn broer Heinrich, maar hij kocht het in 1616 weer terug. In 1627, is het kasteel overgegaan naar Conon von Vlatten (zijn zoon?), die overleed in 1634, na zijn huwelijk met Catherina Scholl. Zijn zoon Conon von Vlatten krijgt het kasteel in 1651; hij trouwt met Maria Catherina Hanotte en overlijd in 1663. Zijn kinderen waren een lange tijdperk in de mede-eigenaren, zij verkavelen en verkopen uiteindelijk een onderdeel van de domein. In 1696 wordt het kasteel door een echtgenoot van een van de mede-eigenaren, stadhouder Frans Hanotte gekocht. Het laatste deel werd door Jean Jacques van Vlatten verkocht in 1703. Frans Hanotte ovverleed het jaar daarop. Na de dood van Frans Hanotte gaat het kasteel over naar zijn zoon Jean Olivier, die overleed op 14 maart 1714, waarna het kasteel overgaat naar zijn moeder. Deze schenkt het kasteel aan de Jezuïeten van Aken, die volledig eigenaar waren in 1732. Het oude herenhuis gebouwd door Peter van Eynatten in de 14e eeuw werd ten gronde gericht, slechts het fundament bleef over en er werd een "vakantiehuis" op gebouwd. Zij werden wat ten tijde van de opheffing van hun orde in 1733 onteigend. Drie jaren later, werd het eigendom door de overheid verkocht aan Theodore Thyssen, op rekening van zijn schoonvader Arnold Römer-Lambertz. Deze laat het in 1788 na aan zijn dochter Anna Catherina, die het alter weer vermaakt aan haar nicht Sybille Thyssen, vrouw van Willem Birven van Astenet. In 1837 gaat het kasteel over naar zijn zoon, Nicolas Birven, en na zijn door in 1871, naar nicht Frédérica Baur, vrouw van Hugo Fr. Th. Ed. Talbot, rentenier uit Aken. Ze overleed kinderloos in 1904 en het "Vlattenhaus" werd het eigendom van Peter Reuther, uit Aken, die het in 1909 verkocht aan Charles Beaucamp, uit Aken, echtgenoot van Elisabeth Kesselkaul. Na de oorlog van 1914-1918 werd het kasteel verbeurd verklaard en voor een tijdje zelfs al schuur gebruikte. In 1942 werd er weer begonnen aan het herstel, maar in 1944 werd het wederom vernietigd. Kleines Haus te Eynatten De namen Amstenraedt en Reuschenberg laten zien dat in vroeger de kastelen genoemd worden naar de familienamen van de eigenaren. Dit geldt ook voor het Vlattenhaus, het Waldenburghaus en het Philippenhaus (waarover later meer). Momenteel is het Amstenraedter Haus meer bekend onder de naam Herrenhaus. Dit oude en zéér interessante landhuis ligt 200 meter ten maden van de kerk van Eynatten en 200 motor ten noord-noord-oosten van het Vlattenhaus. Tussen deze twee landgoeden liggen boerderijgebouwen en een vijver waarin waterhoenderen rond zwemmen. Het Amstenraedter Haus is, net zo als het Vlattenhaus, helemaal omringd door water, maar is zodanig op het vlakke eilandje gebouwd, dat het toch mogelijk is helemaal om het kasteel heen te lopen. Het Amstenraedter Haus is alleen toegankelijk via een stenen brug ten zuidoosten ervan. Van deze kant af gezien, is het wateroppervlak zo uitgestrekt dat het eerder op een meer lijkt dan op eenvoudige grachten. Dit droeg trouwens bij tot het vergroten van de veiligheid van het kasteel. Men kan zich afvragen waarom men zich in die tijd vaak tevreden stelde met het graven van relatief smalle slotgrachten om deze gebouwen, terwijl het grote verval van de beekjes veel grotere en doeltreffender verdedigingswerken mogelijk maakte. Misschien moet men er rekening mee houden dat de eigenaren van de tamelijke kleine leengoederen van het hertogdom Limburg, aarzelden om hun vruchtbare landbouwgrond (nodig voor hun bestaan) op te offeren aan grachten ter verdediging. Het kasteel omvat twee rechthoekige compacte gebouwen die parallel ten opzichte van elkaar liggen. Ze zijn met elkaar verbonden aan de noordoostzijde door middel van een derde gebouw. Aan de tegenoverliggende zijde door een muur van dezelfde hoogte, zodat de kleine binnenplaats geheel omsloten is. Aan deze muur is een naar binnen toe gericht afdak gebouwd en een trap die naar de eerste etage leidt. Aan de buittenkant van de muur (in het verlengde naar de brug) een kleiner, vierkant voorportaalgebouw uit de zeventiende eeuw dat minder hoog is dan de andere gebouwen. Zijn vierzijdige torenspits is versierd met een dakvenster en helemaal boveninin een weerhaan. Het kasteel heeft slechts één bovenverdieping. De ramen zijn klein en gering in aantal. Sommige ramen zijn ooit veranderd en vergroot. De daken van de twee vleugels bestaan uit vier hellende vlakken die met leisteen zijn bedektt. Ze zijn zeer bezonder door hun hoogte en hun afmeting. Hun nok is versierd met weerhaantjes en hoger dan het dak van het gebouw dat de twee vleugels verbindt. Het is voorzien van enkele kleine dakvensters, en steekt ruim over de gevels heen en steunt op houten muurankers. Het grondgebied rond het Amsterraedter Haus was afhankelijk van een gebied behorend tot de familie van Eynatten (evenals het Vlattenhaus), maar aanvankelijk bestond er slechts één kasteel. We hebben in het voorgaande reeds kunnen zien dat tijdens de verdeling van de bezittingen van Thibaut d'Eynatten, zijn oudste zoon Pierre d'Eynatten werd aangewezen als opvolger van het kasteel (door laatstgenoemde het Grosses Haus genoemd). De jongstte zoon Jean d'Eynatten kreeg een ander deel van het familiegrondbezit en liet daar een versterkt kasteel bouwen (ca. tweede helft vijftiende eeuw) dat men Kleines Haus noemde om het van het ander kasteel te onderscheiden. Dat is de oorsprong van het huidige Amstenraedter Haus. In zijn boek "Eupen en omgeving" zegt Rutsch, dat de historie van deze twee naburige bezittingen zo warrig is dat het bijna onmogelijk is met zekerheid de opvolgingen op te noemen. Zo zegt hij dat het kasteel Grosses Haus in de vijftiende eeuw toebehorde aan Colyn Beissel en Jaques de Rabothrath, vervolgens aan de weduwe van Binsfeld. geborene Elisabeth de Bensenraedt. In werkelijkheid blijkt het kasteel over te zijn gaan van Jean d'Eynatten, (die het heeft laten bouwen) aan zijn oudste zoon uit het huwelijk met Marguerite van den Bongard eveneens Jean d'Eynatten. Deze trouwt in 1398 met Jeanne de Neubourg. De bezittingen worden na hun overgenomen door hun zoon Thibaut of Théobald d'Eynatten, echtgenoot van Catherine van Mulken. Na hun dood gingen de bezittingen over op hun zoon Servais d'Eynatten, die in eerste instantie trouwde met Adélaïde de Schönradt (ca. 1505) en in tweede instantie met Gertrude (de) Bock. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon; Joan Nicolas d'Eynatten (ca. 1536) die het landgoed erfde en trouwde met Marie de Schwartz de Hirtz. Hun dochter Agnes kreeg het op haar beurt in bezit, en door haar huwelijk met Jacques de Reuschenberg kwam het landgoed in deze familie terecht. Vanaf deze tijd noemde men het huis dan ook Reuschenberger Haus. Het hele goed gaat over in handen van hun dochter Catherine de Reuschenberg die getrouwd was met Gothard de Harff. Zij krijgen een zoon, eveneens genoemd Gothard de Harff, die lateer trouwt met N. Huyn d'Amstenraedt. Eenmaal eigenaar geworden van het landgoed, schenkt hij het in 1611 aan zijn zuster Anne de Harff bij gelegenheid van haar huwelijk met Frambach de Gulpen. Maar deze schenking leidt tot niets want er zijn geen erfgenamen uit dit huwelijk. Bij hun beider overlijden gaat het bezit terug naar hun neven, de nog minderjarige kinderen van zijn broer Gothard de Harff. Deze geven het in handen van hun oom (van moederskant) Arnold Huyn d'Amstenraedt, heer van Brusthem (1647). Hij was het die het voorportaalgebouw aan de voorzijde liet bouwen. Na zijn dood kwam alles toe aan zijn dochter Claire Anne Huyn d'Amstenraedt en haar man Gérard van Dieden Malatesta, ruiterkapitein in het leger van koning PhPhilippe IV. Deze sterft aan het einde van het zeventiende eeuw. In 1701 kwamen de bezittingen door hypothécaire schuld in handen Graaf Philippe Guillaume de Hoensbroeck, ondanks vele verzoeken van de weduwe van de overleden eigenaar. De kinderen van Gérard van Dieden Maletesta lukt het echter de schulden door middel van een lening van Nicolas Moeren uit Aken af te lossen. Zij blijven in het bezit van het kasteel, maar verkopen het in 1704 aan hun geldschieter, de eerdergenoemde Moerenn. Deze sterft in 1709 en het landgoed gaat over op zijn dochter Jeanne Moeren die in 1687 met Jean Gaspard Deltour getrouwd was. Deze liet het kasteel ingrijpend veranderen en gaf het er het huidige karakter aan. In 1733 valt alles ten beurt aaan zijn oudste zoon Jean Jacques Joseph Deltour. Deze laatste doet het bezit over aan zijn nicht Anno Marie Thérèse Deltour, die in 1746 trouwt met Nicolas Léonard Charlier oudkapitein in het Oostenrijkse leger. In 1788 verkoopt deze het goed aaaan Arnold Römer-Lambertz, die inmiddels al eigenaar geworden was van het Vlattenhaus. Hij laat het Amstenraedter Haus na een zijn dochter Sybille Lambertz, echtgenote van André-Joseph Franssen uit Maastricht. Die sterft in 1845. Zijn zoon, André-Joseph Franssen-junior erft alles en zijn kinderen volgen hem op hun beurt op. Onder deze kinderen bevond zich ook Ferdinand-Jean-Jaques-Hubert Franssen, rechter aan het hof van justitie te Heinsberg. Deze bleef waarschijnlijk uiteindelilijk alléén over als eigenaarerfgenaam, want zijn kinderen erven het landgoed. Eén van hen, André-Joseph-Hubert-Robert Franssen wordt eigenaar (bij notariële akte van notaris Schäfer te Aken op 9 februari 1903); hij sterft in 1946. Hij was die op 25 juli 1938 in de adelstand werd verheven en de titel baron kroeg, alsmede het recht om "de Cortenbach" aan zijn naam toe te voegen (een vroeger bezit van zijn familie te Membach). Zijn weduwe. geboren Marie Tychon en kinderen worden erfgenamen en eigenaar van het oude Herrenhaus. | van Eynatten, Maria (I6138)
|
| 585 | De familie Eynatten was een van de belangrijkste families tussen de Maas en Rijn. Ze hebben hun oorsprong in het dorp Eynatten, tussen Aken en Eupen, dichtbij de Geul. Hun genealogie is nauw verbonden met de geschiedenis van Limburg door het vele land die de familie bezat en de gebeurtenissen die enkele familieleden meemaakten. Deze genealogie start in de 14e eeuw, maar ook in de 13e eeuw vinden we de namen van verschillende ridders en jonkheren Van Eynatten, het is echter tegenwoordig moeilijk tot zelfs onmogelijk om ze te plaatsen. De "burgerlijke tak" zoals die in deze stamboom te vinden is stamt af van Wijnand van Eynatten. Hij was Commandeur van de Duitse Orde te Gemert. De Duitse Orde is een ridderorde, ontstaan in 1189 als een gemeenschap van monniken met als doel de verzorging en verpleging van gewonde kruisvaarders. Als Commandeur van de Orde mocht Wijnand dus niet trouwen, dat belette hem echter niet om samem met Cathelijn Valckx een vijftal kinderen te krijgen. Natuurlijk waren dit bastaarden en hadden zij geen rechten meer op de adelijke afstamming. Vanuit Gemert is de familie verder getrokken naar Brabant, vooral in de buurt van Zundert en Breda (Princenhage)komt de familie veelvuldig voor. Inmiddels bestaat de parenteel uit 6588 personen. Tot nu toe gevonden naamsverbasteringen zijn: Van Eijnatten, Van Eijnatte, Van Nijnatten en Van Nijnanten. Soms komen binnen hetzelfde gezin meerdere achternamen voor. Grosses Haus te Eynatten Het dorp Eynatten is zeer zeker de geboorteplek van de familie met dezelfde naam; een van de oudste en de meest machtige families van de hertogdom van Limburg. De goederen, fondsen en heerlijkheden die de familie bezat waren zeer talrijk. Dat gold niet alleen in het hertogdom Limburg, maar de familie werd op veel meer plaatsen aangetroffen, zoals in Condroz, waar ze het prachtige kasteel Abée bezaten en zelfs in Duitsland. De familie is bekend sinds het midden van de 13e eeuw en naar alle waarschijnlijkheid zijn ze toen ook aan het oorspronkelijke Heerschap Eynatten gekomen. Het bevatte een belangrijk domein en een kasteel dat tegenwoordig is verdwenen, maar waarvan enkele sporen zijn gevonden tijdens opgravingen in de 19e eeuw. Het oorspronkelijke heerschap werd opgedeeld, wat te herleiden is aan de twee in elkaar nabijheid zijnde kastelen die beiden bewoond werden door eigenaren met dezelfde afstamming. Dit verschijnsel is niet verschillend van die van Ruyff en Baelen in Henri-Chapelle, en Thor en Mützhof, in Walhorn. Het "Vlattenhaus" wordt ook wel het "Grosses Haus" genoemd (in tegenstelling tot het "Kleines Haus", naam gegeven aan het Amstenreadter Haus) en Schenkenhauses "huis van de schenker" . In navolging van de algemene gewoonte in de streek, ligt het kasteel in een golving van het landschap, 130 meter oost-noord-oost van de kerk en tweehonderd meters ten zuid-zuid-westen van "Amstenraedt". Oorspronkelijk was het een vierhoek, met op elke hoek een robuuste ronde toren. De dikke defefensieve muren kwamen 3 a 4 meter boven het omringende water uit. De entree was naar de noord-noord-oost, in de as van de huidige stenen brug. Een curieus detail is dat er op de gewelven van bogen aanslag te zien van het water. Dat veronderstelt dat er op een bepaald moment een overstroming geweest is. Waarschijnlijk is de stenen brug een vervanging van een voormalige ophaalbrug. Vlattenhaus was een waterburcht, maar groter dan allen in de streek en met z'n vier torens had hiij geen betoog in het oude Hertogdom. Deze bijzonderheid - klassiek in andere landstreken - maakte het de eventuele aanvallers zeer moeilijk, met de grote muren achter de gracht. Twee ronde uitstekende torens op de hoeken konden de verdedigers op de muren nog ondersteunen. Het was de toepassing van de oude militaire grondbeginsel van het kruisvuur. Het "Vlattenhaus" was dus beter versterkt dan alle andere herenhuizen in de omgeving. Dit had zeker te maken met de faam van de bezitters een de belangrijk rol die zij speelde in de defensie van de territorium. In het centrum van hun bezittingen bouwden in 1761 de Jezuïetenorde uit Aachen (Duitsland) een kleiner gebouw dan het oude. Het had het niets meer van een Herenhuis, met zijn zandstenen muren van slechts één verdieping hoog, vensters met een gewelf in de stijl van Lodewijk XV en een naar twee kanten gewelfd dak. Bij de topgevel noord-nood-oost een aanbouw met een kleine portiek tegenover de toegangsbrug. In het midden van de 19e eeuw stortte een groot deel van het gebouw in, dit werd weer opgebouwd. In september 1944 tijdens de gevechtej tusen de Amerikaanse en Duitse legers trof een Amerikaanse bom het "Vlattenhaus" en zorgde voor een grote beschadiging. De portiek en het noord-noord-oost deel was helemaal vernietigd. De rest wacht nog op restauratie. Bij de verdeling van de nalatenschap van Thibaut van Eijnatten kreeg de oudste zoon Peter van Eynatten het oude familiekasteel. Na de instorting van dit kasteel bouwde hij, in de eerste helft van de 14e eeuw, in de buurt een nieuw kasteel: het "Grote Huis", later het "Vlattenhaus" genoemd. Het kasteel gaat over naar hun zoon Mathillion van Eynatten, getrouwd met Catharina van Bombaye; dan naar hun dochter Catharina van Eynatten, die in 1424 trouwt met Johan Thoreel, Heer van Bernaeu. Hun dochter, Johanna Thoreel, erft het huis en door haar huwelijk in 1475 met Heinrich von Vlatten komt het kasteel in de familie Vlatten. Heinrich von Vlatten was erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, dit was ook de reden dat in dit tijdperk het kasteel "Schenkenhaus"genoemd werd. Zijn zoon Conrad von Vlatten, evenals zijn vaderlijk ook erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, neemt het kastel over en daarna gaat het naar zijn zoon Renard von Vlatten, eigenaar in 1539. Na de dood van Renard von Vlatten doen zijn zijn kinderen afstand van hun rechten ten gunste van hun broer Bertrand (1597). Hij geeft het kasteel in 1602 aan de kinderen van zijn broer Heinrich, maar hij kocht het in 1616 weer terug. In 1627, is het kasteel overgegaan naar Conon von Vlatten (zijn zoon?), die overleed in 1634, na zijn huwelijk met Catherina Scholl. Zijn zoon Conon von Vlatten krijgt het kasteel in 1651; hij trouwt met Maria Catherina Hanotte en overlijd in 1663. Zijn kinderen waren een lange tijdperk in de mede-eigenaren, zij verkavelen en verkopen uiteindelijk een onderdeel van de domein. In 1696 wordt het kasteel door een echtgenoot van een van de mede-eigenaren, stadhouder Frans Hanotte gekocht. Het laatste deel werd door Jean Jacques van Vlatten verkocht in 1703. Frans Hanotte ovverleed het jaar daarop. Na de dood van Frans Hanotte gaat het kasteel over naar zijn zoon Jean Olivier, die overleed op 14 maart 1714, waarna het kasteel overgaat naar zijn moeder. Deze schenkt het kasteel aan de Jezuïeten van Aken, die volledig eigenaar waren in 1732. Het oude herenhuis gebouwd door Peter van Eynatten in de 14e eeuw werd ten gronde gericht, slechts het fundament bleef over en er werd een "vakantiehuis" op gebouwd. Zij werden wat ten tijde van de opheffing van hun orde in 1733 onteigend. Drie jaren later, werd het eigendom door de overheid verkocht aan Theodore Thyssen, op rekening van zijn schoonvader Arnold Römer-Lambertz. Deze laat het in 1788 na aan zijn dochter Anna Catherina, die het alter weer vermaakt aan haar nicht Sybille Thyssen, vrouw van Willem Birven van Astenet. In 1837 gaat het kasteel over naar zijn zoon, Nicolas Birven, en na zijn door in 1871, naar nicht Frédérica Baur, vrouw van Hugo Fr. Th. Ed. Talbot, rentenier uit Aken. Ze overleed kinderloos in 1904 en het "Vlattenhaus" werd het eigendom van Peter Reuther, uit Aken, die het in 1909 verkocht aan Charles Beaucamp, uit Aken, echtgenoot van Elisabeth Kesselkaul. Na de oorlog van 1914-1918 werd het kasteel verbeurd verklaard en voor een tijdje zelfs al schuur gebruikte. In 1942 werd er weer begonnen aan het herstel, maar in 1944 werd het wederom vernietigd. Kleines Haus te Eynatten De namen Amstenraedt en Reuschenberg laten zien dat in vroeger de kastelen genoemd worden naar de familienamen van de eigenaren. Dit geldt ook voor het Vlattenhaus, het Waldenburghaus en het Philippenhaus (waarover later meer). Momenteel is het Amstenraedter Haus meer bekend onder de naam Herrenhaus. Dit oude en zéér interessante landhuis ligt 200 meter ten maden van de kerk van Eynatten en 200 motor ten noord-noord-oosten van het Vlattenhaus. Tussen deze twee landgoeden liggen boerderijgebouwen en een vijver waarin waterhoenderen rond zwemmen. Het Amstenraedter Haus is, net zo als het Vlattenhaus, helemaal omringd door water, maar is zodanig op het vlakke eilandje gebouwd, dat het toch mogelijk is helemaal om het kasteel heen te lopen. Het Amstenraedter Haus is alleen toegankelijk via een stenen brug ten zuidoosten ervan. Van deze kant af gezien, is het wateroppervlak zo uitgestrekt dat het eerder op een meer lijkt dan op eenvoudige grachten. Dit droeg trouwens bij tot het vergroten van de veiligheid van het kasteel. Men kan zich afvragen waarom men zich in die tijd vaak tevreden stelde met het graven van relatief smalle slotgrachten om deze gebouwen, terwijl het grote verval van de beekjes veel grotere en doeltreffender verdedigingswerken mogelijk maakte. Misschien moet men er rekening mee houden dat de eigenaren van de tamelijke kleine leengoederen van het hertogdom Limburg, aarzelden om hun vruchtbare landbouwgrond (nodig voor hun bestaan) op te offeren aan grachten ter verdediging. Het kasteel omvat twee rechthoekige compacte gebouwen die parallel ten opzichte van elkaar liggen. Ze zijn met elkaar verbonden aan de noordoostzijde door middel van een derde gebouw. Aan de tegenoverliggende zijde door een muur van dezelfde hoogte, zodat de kleine binnenplaats geheel omsloten is. Aan deze muur is een naar binnen toe gericht afdak gebouwd en een trap die naar de eerste etage leidt. Aan de buittenkant van de muur (in het verlengde naar de brug) een kleiner, vierkant voorportaalgebouw uit de zeventiende eeuw dat minder hoog is dan de andere gebouwen. Zijn vierzijdige torenspits is versierd met een dakvenster en helemaal boveninin een weerhaan. Het kasteel heeft slechts één bovenverdieping. De ramen zijn klein en gering in aantal. Sommige ramen zijn ooit veranderd en vergroot. De daken van de twee vleugels bestaan uit vier hellende vlakken die met leisteen zijn bedektt. Ze zijn zeer bezonder door hun hoogte en hun afmeting. Hun nok is versierd met weerhaantjes en hoger dan het dak van het gebouw dat de twee vleugels verbindt. Het is voorzien van enkele kleine dakvensters, en steekt ruim over de gevels heen en steunt op houten muurankers. Het grondgebied rond het Amsterraedter Haus was afhankelijk van een gebied behorend tot de familie van Eynatten (evenals het Vlattenhaus), maar aanvankelijk bestond er slechts één kasteel. We hebben in het voorgaande reeds kunnen zien dat tijdens de verdeling van de bezittingen van Thibaut d'Eynatten, zijn oudste zoon Pierre d'Eynatten werd aangewezen als opvolger van het kasteel (door laatstgenoemde het Grosses Haus genoemd). De jongstte zoon Jean d'Eynatten kreeg een ander deel van het familiegrondbezit en liet daar een versterkt kasteel bouwen (ca. tweede helft vijftiende eeuw) dat men Kleines Haus noemde om het van het ander kasteel te onderscheiden. Dat is de oorsprong van het huidige Amstenraedter Haus. In zijn boek "Eupen en omgeving" zegt Rutsch, dat de historie van deze twee naburige bezittingen zo warrig is dat het bijna onmogelijk is met zekerheid de opvolgingen op te noemen. Zo zegt hij dat het kasteel Grosses Haus in de vijftiende eeuw toebehorde aan Colyn Beissel en Jaques de Rabothrath, vervolgens aan de weduwe van Binsfeld. geborene Elisabeth de Bensenraedt. In werkelijkheid blijkt het kasteel over te zijn gaan van Jean d'Eynatten, (die het heeft laten bouwen) aan zijn oudste zoon uit het huwelijk met Marguerite van den Bongard eveneens Jean d'Eynatten. Deze trouwt in 1398 met Jeanne de Neubourg. De bezittingen worden na hun overgenomen door hun zoon Thibaut of Théobald d'Eynatten, echtgenoot van Catherine van Mulken. Na hun dood gingen de bezittingen over op hun zoon Servais d'Eynatten, die in eerste instantie trouwde met Adélaïde de Schönradt (ca. 1505) en in tweede instantie met Gertrude (de) Bock. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon; Joan Nicolas d'Eynatten (ca. 1536) die het landgoed erfde en trouwde met Marie de Schwartz de Hirtz. Hun dochter Agnes kreeg het op haar beurt in bezit, en door haar huwelijk met Jacques de Reuschenberg kwam het landgoed in deze familie terecht. Vanaf deze tijd noemde men het huis dan ook Reuschenberger Haus. Het hele goed gaat over in handen van hun dochter Catherine de Reuschenberg die getrouwd was met Gothard de Harff. Zij krijgen een zoon, eveneens genoemd Gothard de Harff, die lateer trouwt met N. Huyn d'Amstenraedt. Eenmaal eigenaar geworden van het landgoed, schenkt hij het in 1611 aan zijn zuster Anne de Harff bij gelegenheid van haar huwelijk met Frambach de Gulpen. Maar deze schenking leidt tot niets want er zijn geen erfgenamen uit dit huwelijk. Bij hun beider overlijden gaat het bezit terug naar hun neven, de nog minderjarige kinderen van zijn broer Gothard de Harff. Deze geven het in handen van hun oom (van moederskant) Arnold Huyn d'Amstenraedt, heer van Brusthem (1647). Hij was het die het voorportaalgebouw aan de voorzijde liet bouwen. Na zijn dood kwam alles toe aan zijn dochter Claire Anne Huyn d'Amstenraedt en haar man Gérard van Dieden Malatesta, ruiterkapitein in het leger van koning PhPhilippe IV. Deze sterft aan het einde van het zeventiende eeuw. In 1701 kwamen de bezittingen door hypothécaire schuld in handen Graaf Philippe Guillaume de Hoensbroeck, ondanks vele verzoeken van de weduwe van de overleden eigenaar. De kinderen van Gérard van Dieden Maletesta lukt het echter de schulden door middel van een lening van Nicolas Moeren uit Aken af te lossen. Zij blijven in het bezit van het kasteel, maar verkopen het in 1704 aan hun geldschieter, de eerdergenoemde Moerenn. Deze sterft in 1709 en het landgoed gaat over op zijn dochter Jeanne Moeren die in 1687 met Jean Gaspard Deltour getrouwd was. Deze liet het kasteel ingrijpend veranderen en gaf het er het huidige karakter aan. In 1733 valt alles ten beurt aaan zijn oudste zoon Jean Jacques Joseph Deltour. Deze laatste doet het bezit over aan zijn nicht Anno Marie Thérèse Deltour, die in 1746 trouwt met Nicolas Léonard Charlier oudkapitein in het Oostenrijkse leger. In 1788 verkoopt deze het goed aaaan Arnold Römer-Lambertz, die inmiddels al eigenaar geworden was van het Vlattenhaus. Hij laat het Amstenraedter Haus na een zijn dochter Sybille Lambertz, echtgenote van André-Joseph Franssen uit Maastricht. Die sterft in 1845. Zijn zoon, André-Joseph Franssen-junior erft alles en zijn kinderen volgen hem op hun beurt op. Onder deze kinderen bevond zich ook Ferdinand-Jean-Jaques-Hubert Franssen, rechter aan het hof van justitie te Heinsberg. Deze bleef waarschijnlijk uiteindelilijk alléén over als eigenaarerfgenaam, want zijn kinderen erven het landgoed. Eén van hen, André-Joseph-Hubert-Robert Franssen wordt eigenaar (bij notariële akte van notaris Schäfer te Aken op 9 februari 1903); hij sterft in 1946. Hij was die op 25 juli 1938 in de adelstand werd verheven en de titel baron kroeg, alsmede het recht om "de Cortenbach" aan zijn naam toe te voegen (een vroeger bezit van zijn familie te Membach). Zijn weduwe. geboren Marie Tychon en kinderen worden erfgenamen en eigenaar van het oude Herrenhaus. | van Eynatten, Maria (I6138)
|
| 586 | De FamilySearch Stamboom wordt gepubliceerd door MyHeritage onder licentie van FamilySearch International, de grootste genealogische organisatie in de wereld. FamilySearch is een nonprofit organisatie die gespnsord wordt door The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormon Church). ID S0007: FamilySearch Stamboom. MyHeritage. | Source (S500372)
|
| 587 | De FamilySearch Stamboom wordt gepubliceerd door MyHeritage onder licentie van FamilySearch International, de grootste genealogische organisatie in de wereld. FamilySearch is een nonprofit organisatie die gespnsord wordt door The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormon Church). ID S0007: FamilySearch Stamboom. MyHeritage. | Source (S257)
|
| 588 | De FamilySearch Stamboom wordt gepubliceerd door MyHeritage onder licentie van FamilySearch International, de grootste genealogische organisatie in de wereld. FamilySearch is een nonprofit organisatie die gespnsord wordt door The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormon Church). ID S0007: FamilySearch Stamboom. MyHeritage. | Source (S257)
|
| 589 | De FamilySearch Stamboom wordt gepubliceerd door MyHeritage onder licentie van FamilySearch International, de grootste genealogische organisatie in de wereld. FamilySearch is een nonprofit organisatie die gespnsord wordt door The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormon Church). ID S0007: FamilySearch Stamboom. MyHeritage. | Source (S257)
|
| 590 | Death certificates represent one of the key primary sources for family information, typically being issued within days of a death and having many details about a persons' life. Frequently, they contain age, birthplace, parents' names and birthplaces and the cause of death. ID S0495: California Deaths, 1940 - 1997. MyHeritage. | Source (S500326)
|
| 591 | Death certificates represent one of the key primary sources for family information, typically being issued within days of a death and having many details about a persons' life. Frequently, they contain age, birthplace, parents' names and birthplaces and the cause of death. ID S0495: California Deaths, 1940 - 1997. MyHeritage. | Source (S211)
|
| 592 | Death certificates represent one of the key primary sources for family information, typically being issued within days of a death and having many details about a persons' life. Frequently, they contain age, birthplace, parents' names and birthplaces and the cause of death. ID S0495: California Deaths, 1940 - 1997. MyHeritage. | Source (S211)
|
| 593 | Death certificates represent one of the key primary sources for family information, typically being issued within days of a death and having many details about a persons' life. Frequently, they contain age, birthplace, parents' names and birthplaces and the cause of death. ID S0495: California Deaths, 1940 - 1997. MyHeritage. | Source (S211)
|
| 594 | Dec 16 ? | Family: Jacobus Kuchlinus, Ds. / Margaretha van Hoevel van Ottenstein (F577)
|
| 595 | Dec 16 ? | Family: Ds. Jacobus Kuchlinus, Ds. / Margaretha van Hoevel van Ottenstein (F150)
|
| 596 | Dec 16 ? | Family: Ds. Jacobus Kuchlinus, Ds. / Margaretha van Hoevel van Ottenstein (F150)
|
| 597 | Deze index bevat ook het registernummer - een uniek nummer per record en jaar. Het jaar en het registernummer zijn essentiële informatie voor het bestellen van een kopie van het originele huwelijksrecord bij het Stadsarchief Rotterdam (Rotterdam City Archives). Het originele record kan aanvullende informatie opleveren, zoals de beroepen van bruid en bruidegom, aanvullende informatie over hun ouders en de namen van de getuigen (die vaak familieleden waren). Deze index werd gemaakt door de medewerkers en vrijwilligers van het Stadsarchief Rotterdam en werd verkregen van www.rotterdamopendata.nl . ID S0645: Rotterdam, Nederland, Huwelijksindex, 1811-1935. MyHeritage. | Source (S500234)
|
| 598 | Deze index bevat ook het registernummer - een uniek nummer per record en jaar. Het jaar en het registernummer zijn essentiële informatie voor het bestellen van een kopie van het originele huwelijksrecord bij het Stadsarchief Rotterdam (Rotterdam City Archives). Het originele record kan aanvullende informatie opleveren, zoals de beroepen van bruid en bruidegom, aanvullende informatie over hun ouders en de namen van de getuigen (die vaak familieleden waren). Deze index werd gemaakt door de medewerkers en vrijwilligers van het Stadsarchief Rotterdam en werd verkregen van www.rotterdamopendata.nl . ID S0149: Rotterdam, Nederland, Huwelijksindex, 1811-1935. MyHeritage. | Source (S500277)
|
| 599 | Deze index bevat ook het registernummer - een uniek nummer per record en jaar. Het jaar en het registernummer zijn essentiële informatie voor het bestellen van een kopie van het originele huwelijksrecord bij het Stadsarchief Rotterdam (Rotterdam City Archives). Het originele record kan aanvullende informatie opleveren, zoals de beroepen van bruid en bruidegom, aanvullende informatie over hun ouders en de namen van de getuigen (die vaak familieleden waren). Deze index werd gemaakt door de medewerkers en vrijwilligers van het Stadsarchief Rotterdam en werd verkregen van www.rotterdamopendata.nl . ID S0817: Rotterdam, Nederland, Huwelijksindex, 1811-1935. MyHeritage. | Source (S500305)
|
| 600 | Deze index bevat ook het registernummer - een uniek nummer per record en jaar. Het jaar en het registernummer zijn essentiële informatie voor het bestellen van een kopie van het originele huwelijksrecord bij het Stadsarchief Rotterdam (Rotterdam City Archives). Het originele record kan aanvullende informatie opleveren, zoals de beroepen van bruid en bruidegom, aanvullende informatie over hun ouders en de namen van de getuigen (die vaak familieleden waren). Deze index werd gemaakt door de medewerkers en vrijwilligers van het Stadsarchief Rotterdam en werd verkregen van www.rotterdamopendata.nl . ID S0645: Rotterdam, Nederland, Huwelijksindex, 1811-1935. MyHeritage. | Source (S119)
|